recensie Oktober 2000, de campagne voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen nadert zijn hoogtepunt. Econoom Paul Krugman heeft net een eigen column gekregen in The New York Times. Hij windt zich op over een tv-interview met George W. Bush in een beursprogramma. De Republikeinse kandidaat had daarin de grote getallen van zijn economisch programma opgesomd en tot Krugmans ontsteltenis had hij in één ultra-kort interview drie foute cijfers gegeven. Zo rekende Bush bijvoorbeeld voor dat hij een biljoen dollar zou overhouden voor onderwijs en milieu, terwijl dat volgens zijn eigen verkiezingsprogramma maar 476 miljard was.
,,Is er een logische verklaring voor de opmerkingen van Bush?', schrijft Krugman. ,,Ik zou niet weten welke. We hebben het hier niet over een economische analyses, waarover je van mening kunt verschillen, maar over feiten: wat meneer Bush een nationaal tv-publiek vertelde was gewoon niet waar.'
Schokkender nog dan die aperte onjuistheden vindt Krugman het dat de interviewer die normaal topmannen van bedrijven scherp ondervraagt over de jaarcijfers, Bush geen enkel weerwoord gaf. Ook de kranten schrijven in de dagen daarna niets over de foute cijfers. En dus zet Krugman het maar op een rijtje. Hij verzekert de lezers: ,,Ik wil niet over deze zaken blijven schrijven.'
Drie jaar later weten we beter. Krugman heeft sinds 2000 amper geschreven over globalisatie of deflatie, de onderwerpen waarop hij zich beloofde te gaan richten. De hoogleraar economie aan de gerenommeerde Princeton Universiteit is bozer en bozer geworden over Bush' manier van optellen en aftrekken. Ook toen de president na 11 september boven alle kritiek verheven leek, bleef Krugman in begrijpelijke en sobere taal de economische plannen van de regering narekenen.
Toen Bush zijn historische belastingverlagingen aanprees met: ,,Het is evident dat zeker 17,4 miljoen middenstanders en ondernemers, van wie velen nu het (hoogste) tarief van 39,6 procent betalen, zullen profiteren', meldde Krugman dat er in heel Amerika maar één miljoen mensen zijn die dat tarief betalen, 'en de meesten daarvan zijn géén middenstanders en ondernemers'. Vervolgens rekende Krugman voor dat maar één procent van de middenstanders iets beter wordt van een verlaging van het toptarief, waarmee Bush dus 'een hele nieuwe betekenis geeft aan het woord 'velen'.
Krugman prikt met veel kennis van zaken de economische teksten van het Witte Huis lek, en is daarmee een held van de oppositie geworden. Hij verbindt aan zijn nagereken ongewoon recht voor zijn raap conclusies: in oktober 2000 was hij nog voorzichtig -'gewoon niet waar'- maar langzaamaan schakelde hij over naar 'oneerlijk', 'bedrog' om uiteindelijk gewoon bij 'leugenachtig' uit te komen. Bij Bush en zijn naasten gaat het niet om een enkel leugentje om bestwil van het soort waar elke politicus in vervalt, vindt Krugman. Bush maakt zich schuldig aan 'leugenachtigheid van wereldklasse'.
In het boek 'The Great Unraveling', waarin de columns uit The Times (en enkele economiebladen) gebundeld zijn, tracht Krugman een grote lijn in deze 'leugenachtigheid' te ontwaren. Maar dat streven brengt hem bij stellingen die niet zo stevig onderbouwd zijn als die in zijn columns. Met Bush, zegt hij, is een 'revolutionaire macht' van radicaal rechts aan het bewind gekomen. Revolutionair omdat ze 'het bestaande politieke bestel niet meer accepteert' en verworvenheden als de sociale zekerheid, die voor samenhang in de maatschappij zorgen, als 'een aantasting van hun algemene vrijheden' ziet.
Het doel heiligt voor dit rechts de middelen. In Amerika is het politieke centrum weggevallen, de verschillen in inkomens zijn steeds groter geworden. Rechts is het werktuig van een economische elite die alleen haar eigen privileges wil uitbreiden. Waarom zou je meer belastingen moeten betalen als je meer verdient? Waarom zou de overheid de burger tegen werkloosheid moeten verzekeren en voor een staatspensioen zorgen? Laat ieder dat zelf doen.
Als voorbeeld haalt Krugman een ingezonden stuk uit de zakenkrant Wall Street Journal aan, vaak een spreekbuis van Republikeinse beleidsmakers. Daarin wordt geklaagd dat mensen die maar 12000 dollar per jaar verdienen maar vier procent belasting betalen. 'Gelukzakken', aldus het stuk. 'Natuurlijk' klopt dat cijfer van vier procent niet; het slaat alleen op de inkomstenbelasting. Via andere belastingen dragen de armen in de VS voor twintig procent bij in de belastinginkomsten. Maar het stuk onthult, vreest Krugman, de agenda van rechts: inkomsten uit kapitaal moeten niet langer belast worden, alleen inkomsten uit arbeid mogen meetellen en de progressiviteit moet verdwijnen. Intussen schiet het begrotingstekort weer de hoogte in.
Er is heus een grote rechtse samenzwering aan de gang, bezweert Klugman. Maar wie daar achter zit, onthult hij niet. Wel hamert hij flink op de 'intellectuele luiheid' van de pers, die keurige enerzijds-anderzijds-stukjes maken, en nooit de moeite nemen om dingen op een zakjapanner even na te rekenen. Vol eigendunk en sadistisch plezier zal Krugman voorlopig de opzetjes van Bush blijven ontmaskeren als 'onverantwoordelijk gedrag passend bij een bananenrepubliek'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.