recensie In de afgelopen zomer was de 11 september-verlamming kennelijk geweken; in Amerika kwam een stroom anti-Bush-literatuur op gang. Enkele analyses van de buitenlandse politiek van Bush, deels afkomstig uit de intellectuele hofhouding van Clinton, zijn nu in het Nederlands verschenen. Hieronder daarvan een bespreking. Eerder al verscheen een vertaling van het boek van de Franse antropoloog Todd. Deze zet de daggebonden grillen van het empire af tegen onontkoombare demografische en economische ontwikkelingen. Paul Krugman (zie de volgende pagina) is de aanvoerder van een kritisch koor van economen: Hij zet de economische politiek van Bush als leugenachtig en plutocratisch te kijk.
Het interview dat George Bush in november 1999 gaf was bijna zo revolutionair als de buitenlandse politiek die hij later zou vormgeven. ,,Kent u de naam van de president van Tsjetsjenië?', vroeg de journalist uit Boston. ,,Nee, u?', luidde het antwoord van Bush. Een vraag over Taiwans leider volgde, daarna over die van Pakistan, en tenslotte over die van India. Driemaal nee. Bush sneerde terug: ,,Ken jij de minister van buitenlandse zaken van Mexico?' Waarop de journalist terugkaatste: ,,No sir, maar ik zou willen aantekenen dat ik geen kandidaat ben voor het presidentschap.'
De drie minuten durende quiz werd wereldnieuws. ,,Het is een grote wereld', erkende Bush later, ,,en ik moet nog een hoop leren.' En leren zou hij. Een jaar later werd hij met de hakken over de sloot president, minder dan twee jaar later stortten de torens van het World Trade Center in. Nu, vier jaar later -na oorlogen in Afghanistan en Irak, talloze schofferingen van bondgenoten en het opzeggen van enkele internationale verdragen- worstelen opiniemakers met de vraag wat Bush bezielt, hoever hij zal gaan, en wat het effect wordt.
Over één ding zijn Ivo Daalder en James Lindsey ('America Unbound'), Benjamin Barber ('Het rijk van de angst') en Michael Ignatieff ('Afgedwongen vrijheid') het eens: Bush gaat te ver. Maar het perspectief vanwaaruit de auteurs kijken naar de revolutie die Bush heeft ontketend, loopt sterk uiteen. Daalder en Lindsey reconstrueerden op zakelijke toon de wordingsgeschiedenis van Bush' buitenlandse beleid en hoe Washington zijn bondgenoten van zich vervreemdde. Conclusie: Bush kan zijn belangrijkste beleidsdoelen zonder bondgenoten niet halen.
Barber verwoordt (onder meer) de vrees dat Bush de Amerikaanse vorm van democratie en vrijheid verkwanselt -in de VS zelf, maar ook in de rest van de wereld- door de wijze waarop de Amerikaanse regering het terrorisme aanpakt. En Ignatieff laat in een aantal essays/reportages uit de Balkan en Afghanistan zien waarom de macht van het Amerikaanse wereldrijk niet groot genoeg zal blijken om de weerbarstige werkelijkheid naar zijn hand te zetten, ook na een reeks van ogenschijnlijk eenvoudige militaire overwinningen.
Geen misverstand, betogen Daalder en Lindsey: het is daadwerkelijk Bush zelf die de revolutie leidt. Hij is volgens hen geen marionet die aan de leiband loopt van neoconservatieve of nationalistische adviseurs -Rice, Cheney, Wolfowitz, Perle, et cetera. Journalisten en academici hebben de neiging mensen die minder soepel met woorden zijn te verslijten voor onwetend, en Bush heeft niet alleen in het bovengenoemde interview maar ook daarna door uitglijders en fouten veel voeding gegeven aan dat beeld van knulligheid en domheid. Maar, zoals Perle het ooit formuleerde: Bush heeft juist zelfvertrouwen genoeg om de dingen te vragen die hij niet weet. En, zo stellen Daalder en Lindsey, zijn team is zo samengesteld dat er sterke, conflicterende meningen naar voren zullen komen (of dat spectrum aan meningen voldoende breed is, maken de auteurs overigens niet duidelijk). Bush zelf is degene die vervolgens de knopen doorhakt, de visie draagt, de twijfel afschudt en koppig genoeg is om zijn ideeen door te drukken.
Centraal in Bush' beleid staat de preventieve oorlog, ingrijpen vanwege de vrees voor toekomstig gevaar. Een revolutionair beleid dat met revolutionaire middelen wordt toegepast: met agressie, 'pro-actief' (voordat het gevaar acuut wordt), desnoods zonder internationale steun, en primair gericht tegen staten -niet bewegingen. Irak is daarvan het meest extreme voorbeeld.
Dit alles wordt ingegeven door de overtuiging dat de VS de wereld kunnen herscheppen naar hun voorbeeld: met de Amerikaanse vorm van democratie en vrijheid als een model dat (vroeg of laat) door iedereen zal worden verwelkomd. Groot is de verbazing van de president wanneer blijkt dat andere landen twijfelen aan de zuiverheid van die motieven.
Veel in het boek van Daalder en Lindsey is al door velen opgemerkt. Maar als terugblik is het interessant.
Achteraf blijft verbazingwekkend dat in de debatten van de Republikein Bush met zijn Democratische tegenstrever Al Gore, het terrorisme nauwelijks ter sprake kwam. En ook dat Bush in het najaar van 2002 pas enkele uren voor zijn toespraak tot de Verenigde Naties besloot de wapeninspecteurs een nieuwe kans te geven om Saddam te ontwapenen. Nog steeds schokkend om te lezen is met welke stelligheid het bezit en de productie van massavernietigingswapens in Irak bewezen werd geacht.
Twijfel is in het algemeen niet Bush zijn sterkste kant. ,,Ik kijk op geen enkele beslissing terug, wensend dat ik haar anders had genomen', verklaarde hij eind 2002. ,,Ik besteed niet veel tijd aan theoretiseren of mezelf pijnigen. Ik zorg dat ik dingen voor elkaar krijg.' Maar Bush, zo stellen Daalder en Lindsey, heeft zich in de afgelopen jaren óók een meester getoond in het aanpassen van zijn strategie met behoud van de einddoelen. Bush is overtuigd van zijn eigen gelijk.
Het boek van Ignatieff, afgerond vóór de oorlog in Irak, zou voor de president verplichte kost moeten zijn. Deze Canadees met Russisch voorouders is een meester in het 'kleine verhaal': de wederopbouw van de historische brug in het Bosnische Mostar, de geschiedenis van de humanitaire krijgsheer Bernard Kouchner, de onderhandelingen tussen twee Afghaanse leiders in aanwezigheid van een zwijgende CIA-man -met pet over de ogen.
Centraal in het boek van Ignatieff staat de vraag of imperialisme -geen 'negatieve kwalificatie', haast hij zich te zeggen- kan slagen. Het antwoord is 'nee'. ,,Imperialisme is een narcistische onderneming en narcisme is gedoemd tot ontgoocheling te leiden. Wat andere volkeren ook willen zijn, ze willen niet gedwongen worden te zijn zoals wij.' De duivel schuilt in de details van de pacificatie, iets waar de regering-Bush in Irak én in Afghanistan achter begint te komen.
Het boek van Ignatieff is een genot om te lezen, maar roept meer vragen op dan het beantwoordt. Wat het imperium is (de VS, de Navo, ad-hoccoalities), waarom het handelt zoals het handelt, blijft vaag. Het enorme verschil in de motieven achter de interventies in de Balkan (humanitair) en Afghanistan (oorlog tegen Al-Kaida) schuift hij onder het tapijt. Ignatieff laat zien hoe allerlei pogingen een land weer op te bouwen, gedoemd zijn te stranden. Maar hoe het wel moet zegt hij niet. Hij doet recht aan de complexiteit van de landen, maar ontmoedigt vooral. Bush zou het boek ongetwijfeld als irrelevant en onnodig defaitistisch terzijde schuiven: ,,Het Amerikaanse buitenlandse beleid kan niet zijn gebaseerd op angst.'
Maar dat is nu juist wel het geval, vindt Benjamin Barber. Met een retoriek die af en toe die van Bush overtreft (eerste zin: ,,De VS, lange tijd de lieveling van Vrouwe Fortuna, liggen momenteel op ramkoers met de geschiedenis.') betoogt Barber dat het beleid van Bush stoelt op irrationele angst. ,,Angst is niet met angst te bestrijden.'
In de strijd tegen het terrorisme hanteren de VS bovendien middelen die ze anderen niet toestaan (preventieve oorlogen) en wekken ze meer weerstand op dan dat ze wegnemen. Barber is scherp en erudiet en aan vele van zijn conclusies valt moeilijk te ontkomen. Maar Barbers oplossingen doen wereldvreemd aan. Noch in de wereld van Bush, noch in die van Bush' Democratische tegenspelers, zal er plaats voor zijn. Hij pleit voor 'preventieve democratie': ondersteund door goed onderwijs zullen 's werelds bewoners ieder hun weg naar hun eigen vorm van democratie weten te vinden. Daar valt wel wat op af te dingen. Het profiel van de kapers van 11 september 2001 leert bijvoorbeeld dat een hoge opleiding niet automatisch leidt tot redelijkheid.
Het is hoe dan ook de vraag of de kritiek op de effectiviteit van het beleid van Bush altijd terecht is, nog afgezien van het feit dat we niet rouwig hoeven zijn om het vertrek van de Taliban en Saddam Hoessein. Daalder en Lindsey laten zien hoe anders het beleid van Bush uitpakt in het geval van Noord-Korea en Iran, die op diplomatieke wijze worden ingekapseld. Niet consequent misschien -tenslotte heeft Noord-Korea wél massavernietigingswapens- maar des te meer een blijk van het aanpassingsvermogen en pragmatisme van Bush. En de effectiviteit en flexibiliteit van Bush' beleid zal zich vooral moeten bewijzen op de langere termijn.
De Amerikaanse kiezer, die in 2004 de doorslaggevende stem zal hebben en waarschijnlijk geen Benjamin Barber, Ignatieff, Daalder en Lindsey leest, blijft in de boeken goeddeels buiten beeld. Maar Bush houdt de kiezer wel in de gaten. De datum van zijn acceptatietoespraak als presidentskandidaat van de Republikeinen heeft hij alvast laten verschuiven: naar vlak voor 11 september 2004.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.