*

 

Jongensliefde in Ierland

Monica Soeting − 01/02/03, 00:00

recensie Aan de Ierse kust, iets ten zuiden van Dublin, ligt Forty Foot, een Gentlemen's Bathing Place, zoals het nog steeds officieel heet. Niet ver daar vandaan staat Joyce's Tower, de toren waarin James Joyce een deel van 'Ulysses' schreef. In 'In zee, twee jongens', de debuutroman van Jamie O'Neill, ontmoeten twee vijftienjarige jongens, twee hartsvrienden, elkaar elke ochtend bij Forty Foot om te zwemmen. Het is 1915, en het zijn spannende tijden: de broer van Jim Mack, de ene jongen, vecht ergens aan het front, en Doyler Doyle, de andere jongen, droomt van een vrijheidsoorlog waarin niet alleen de Ieren zich van de Engelsen zullen bevrijden, maar ook de arbeiders zich van hun bazen. De jongens zwemmen dan ook niet zomaar in het koude water van de Ierse zee. Ze oefenen voor een oversteek naar Muglins, een rots waar ze op eerste paasdag 1916 een Ierse vlag willen planten.

'In zee, twee jongens' begint met een wat pijnlijke ontmoeting van de vaders van de twee jongens. Die vaders hebben als jonge mannen in de Boerenoorlog gevochten en zijn met elkaar bevriend geraakt. Hun vriendschap eindigde toen Mack sergeant werd en zijn vriend Doyle, die hem kwam feliciteren, berispte omdat zijn knopen vuil waren. Als ze elkaar in 1915 in Ierland weer tegenkomen, is Mack eigenaar van een kruidenierswinkel en aspirant-heer. Zijn vrouw is tijdens de reis van Zuid-Afrika naar Groot-Brittanni' gestorven en hij heeft zijn twee zonen met de hulp van een oude tante opgevoed. Jim is de intellectueel van het gezin; hij heeft een studiebeurs gekregen en gaat naar een jezuietenschool. Doyle heeft minder goed geboerd. Hij is na zijn terugkeer in Ierland aan de drank geraakt en woont met zijn vrouw en kinderen in een sloppenwijk. Zijn zoon Doyler gaat naar dezelfde school als Jim, en ook hij krijgt een studiebeurs aangeboden, maar zijn vader verhindert dat hij die aanneemt. Doyler loopt weg, en daarmee komt een voorlopig einde aan de vriendschap tussen de twee jongens, totdat ze elkaar bij Forty Foot weer tegenkomen.

De opening van de roman is opmerkelijk. Niet alleen omdat O'Neill je onmiddellijk het verhaal intrekt - voor je het weet sta je samen met Mack op een zonnige ochtend in een straat van Glasthule, een kleine gemeente aan de rand van Dublin Bay - maar ook omdat je het gevoel krijgt het werk van James Joyce in te stappen: het verhaal over Mack gaat zonder enige inleiding of leestekens over in Macks eigen gedachten, zoals dat in 'Ulysses' gebeurt.

Het lijkt geen toeval, die fascinatie voor het verleden en de geschiedenis van de Angelsaksische literatuur - ze komt bij meer hedendaagse Britse schrijvers voor. Ian McEwan bijvoorbeeld schrijft in 'Boetekleed' over de Tweede Wereldoorlog en gaat daarbij expliciet in op de erfenis van Virginia Woolf en James Joyce. Maar waar McEwan duidelijk met die erfenis worstelt en 'Boetekleed' een allegaartje van stijlen en onderwerpen is geworden, heeft O'Neill een bijna vederlicht verhaal geschreven, hoewel zijn onderwerpen, net als die van McEwan, niet voor de poes zijn. 'In zee, twee jongens' gaat over een liefde die voortdurend teloor lijkt te gaan door de dreiging van revolutie en oorlogsgeweld, de complicaties van het klassenstelsel en seksuele onwetendheid. Een moraal heeft O'Neills boek ook. Alle personages moeten voortdurend kiezen tussen wat de wet voorschrijft en hun hart hun voorhoudt.

Maar waarom, als O'Neills debuut over zulke traditionele onderwerpen gaat, dan die verwijzingen naar Joyce, die zich toch vooral toelegde op de verwoording van indrukken? Nu, het knappe van O'Neill is dat hij precies hetzelfde doet, maar zonder dat hij alle belangrijke, noem het abstracte, levensvragen ondergeschikt maakt aan de dagelijkse ervaringen. En omgekeerd. O'Neill verweeft op een volkomen natuurlijke manier abstracte idealen met concrete ervaringen.

Neem het centrale thema van de roman: de liefde tussen Jim en Doyler. Als de jongens elkaar voor de tweede keer hebben ontmoet, wordt het al gauw duidelijk dat hun aanhankelijkheid aan elkaar verder gaat dan die van de meeste jongens. Voor Doyler, een vrijgevochten straatjongen, is dat geen enkel probleem. Hij heeft voldoende levenservaring. Bovendien maalt hij niet om burgerlijke normen en waarden. Kort voor zijn hernieuwde kennismaking met Jim heeft hij in het herenbad Anthony MacMurrough ontmoet, een jongeman van rijke komaf, die na een gevangenisstraf wegens zijn voorliefde voor 'chauffeurstypes' onderdak heeft gevonden bij zijn vrijgevochten tante.

Maar Jim is zeer gelovig en zeer gevoelig voor de ge- en verboden van zijn paters-leraren. Als hij op een dag te horen krijgt dat masturbatie een verschrikkelijke zonde is, raakt hij volledig van de kaart. Hij voelt zich zo schuldig voor zijn wandaden, dat hij niet eens een pasgeboren baby, de erfenis van zijn inmiddels gesneuvelde broer, durft aan te raken, uit angst dat hij het kind zal besmetten. Als straf voor zijn vermeende wandaden stopt hij kiezelstenen in zijn schoenen en bindt hij een rozenkrans om zijn bovenarm. En omdat hij ook nog eens bijzonder preuts is, zou het idee dat hij homoseksueel is hem de stuipen op het lijf moeten jagen. Maar dat doet het niet.

Ten eerste neemt hij zich voor dat hij zijn vriend nooit zal behandelen zoals zijn vader diens vriend heeft behandeld. De episode met de vuile knopen beschouwt hij als een metafoor voor verraad, en zijn verlangen goed te doen en goed te zijn is zo sterk, dat het elke angst voor 'onnatuurlijk gedrag' overwint. Ten tweede is Doylers liefde voor Jim zo oprecht, dat het bijna onzinnig is die een aparte naam te geven. Ten derde is Jim eerlijk genoeg om toe te geven dat hij genoten heeft van een toevallige ontmoeting met een soldaat, 's avonds laat bij Forty Foot. Bovendien wordt hij ten dele gered door zijn na

viteit. Een mooi voorbeeld daarvan is hoe hij op de wijze lessen van zijn broer reageert. ,,Het kan geen kwaad”, heeft die hem verzekerd als ze het over aftrekken (het woord is van Gordie) hebben. ,,Maar het is lekkerder met een meisje.” Vooral dat laatste verbaast Jim: ,,[hij] kon zich niet voorstellen, dat hij het zou doen als er een hond bij was, laat staan een meisje.”

Ten slotte is daar MacMurrough, die tegen wil en dank een grote genegenheid voor beide jongens opvat. Als Doyler weer voor een tijdje verdwijnt, geeft MacMurrough Jim met oneindig veel geduld zwemles en helpt hem heel langzaam zijn verlegenheid te overwinnen. En als Jim en Doyler op die beroemde eerste paasdag van 1916 - de dag van een bloedig neergeslagen opstand tegen de Engelsen - naar Muglins zwemmen, houdt MacMurrough als visser verkleed een oogje in het zeil en redt hij hen beiden van de verdrinkingsdood. Jims liefde voor Doyler en MacMurrough is uiteindelijk zo groot, dat hij zich niets mooiers kan voorstellen dan samen met zijn vrienden in de strijd tegen de Engelsen te sterven. Dat alles zou een pathetisch verhaal kunnen opleveren. Maar dankzij de souplesse van O'Neills stijl, zijn humor, de speelse en subtiele manier waarop hij met taal en geschiedenis omgaat (hulde aan de vertaalster), is O'Neills verhaal over twee jongens, hun vriend en hun vaders, niet pathetisch en niet sentimenteel, maar menselijk en ontroerend.

mailIcon print |