*

 

Fouad Laroui herleest Céline

Fouad Laroui − 06/03/04, 00:00

recensie Welke klassiekers verdienen het herlezen te worden? Deze maand test het kanon vier twintigste-eeuwse grote romans uit Frankrijk. Deze week: 'Reis naar het einde van de nacht' van Céline.

De 'Reis naar het einde van de nacht' heeft in 1932 de Prix Renaudot gekregen - de auteur vond in alle bescheidenheid dat de roman minstens de Goncourt, zo niet de Nobelprijs waard was - en werd onmiddellijk bijgeschreven in de canon van de 20ste-eeuwse Franse literatuur.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Céline een heftig omstreden figuur (hij was openlijk antisemiet en had gecollaboreerd met de Duitsers). Maar dat heeft nooit afbreuk gedaan aan de liefde van de lezers voor deze schelmen- en initiatieroman inéén, noch aan het bijna-unanieme oordeel erover: een meesterwerk.

Kort samengevat gaat het om het soms licht autobiografische verhaal van een jongeman die tamelijk onschuldig de oorlog van '14-'18 inrolt en er getekend uitkomt, voorgoed vervuld van walging voor mensen en grote ideeen.

Het is na een militaire parade in vol ornaat dat Ferdinand Bardamu, afkomstig uit een kleinburgerlijk milieu in Parijs, zich zonder lang nadenken bij een regiment aanmeldt. Hij belandt in wat later de Grote Oorlog zou gaan heten en maakte kennis met de verschrikking van de loopgraven, de stompzinnige slachtpartijen en het onvermogen van de bevelhebbers.

Hij raakt bevriend met een zekere Robinson, die hij in de loop van zijn avonturen telkens weer zal terugvinden. Robinson is een beetje de dubbelganger van Bardamu; allebei zijn ze mentaal verschrikkelijk verminkt door ijzer en vuur, allebei moeten ze zich door een absurde en wrede wereld worstelen, op zoek naar elkaar.

Bardamu raakt gewond, herstelt weer, en ondervindt hoe het is om te leven áchter de frontlijn, verscheurd tussen vrouwengekte en krankzinnigheid. Hij wordt afgekeurd en scheept zich in naar Afrika waar hij voor een koloniale firma gaat werken. Hij ontdekt een fantastisch continent, dat helaas is overgeleverd aan de verwoestende bekrompenheid van de blanke en diens racisme.

Ziek en walgend belandt Bardamu in de meest onwaarschijnlijke omstandigheden in de Verenigde Staten en wordt arbeider aan de lopende band van Ford in Detroit. Daar komt hij Molly tegen, een prostituée met een groot hart, die hem een beetje tederheid weet te geven. Terug in Frankrijk studeert hij zo'n beetje medicijnen en komt terecht in een voorsteedse polikliniek. Daar wordt hij geconfronteerd met de gruwelijke armoede van zijn patiënten. Maar juist daar ontmoet hij zo af en toe ook edelmoedige, fijngevoelige wezens met 'een onmetelijke vrolijkheid'. Het zijn altijd arme mensen.

De 'Reis naar het einde van de nacht' is een heleboel boeken tegelijk. Het is allereerst een anti-militaristisch requisitoir. Aan een vriendin die hem zijn lafheid verwijt, antwoordt Bardamu: ,,Ja, Lola, door en door laf. Ik verwerp de oorlog en alles wat ermee samenhangt. Ik weet wat het is. Ik leg me er niet bij neer. Ik grien er niet over. Ik verwerp hem helemaal, met alle mensen die erbij horen, ik wil niets met ze te maken hebben, niets met de oorlog. Al waren zij met negenhonderd vijfennegentig miljoen en ik helemaal alleen, dan nog hebben zíj ongelijk, Lola, en ik gelijk, want ik ben de enige die weet wat ik wil: ik wil niet dood.'

De 'Reis' is ook een anti-kapitalistische en anti-kolonialistische aanklacht. Amerika staat voor het fabrieksleven, de uitbuiting, het materialisme. In Afrika wordt het leed van de 'negers' met dat van de armen in Frankrijk vergeleken. Hij is woest op de bazen en hun blanke knechten, 'even laf en boosaardig als ijverig'.

De 'Reis' wordt in de ogen van het publiek bevolkt door arme drommels, machteloos heen en weer geslingerd in een wereld waarin verschrikking en absurditeit met elkaar wedijveren. Maar eenmaal aan het einde van die nacht blijkt dat de reis niet verstoken was van grappen, fascinerende personages of vrouwelijke troost.

De eerste roman van Céline werd als een grootse literaire gebeurtenis verwelkomd. Het boek werd een kerntekst in de literatuur van de 20ste eeuw: geglazuurd met treffende aforismen, krioelend van de gewone-mensen-uitdrukkingen en de boeventaal - de regels der zinsbouw worden er vrolijk in mishandeld. Daarna kon niemand meer schrijven als de Académieleden Claude Farrère of Paul Bourget, de grootheden van toen.

De 'Reis' is is in de eerste plaats een lawine van woorden, een lawine die even overdonderend is als de gebeurtenissen die erin beschreven worden, massa's woorden, soms platvloers, vaak ironisch, maar altijd zo gekozen dat ze de verschrikking en de stompzinnigheid van de mensen zo waarheidsgetrouw en zo realistisch mogelijk beschrijven. De grootheid van Céline bestaat er uit dat hij de 'lyriek van het verderf' heeft ingevoerd. Zijn roman is niet minder naturalistisch dan de romans van Zola, maar de poëzie is nooit ver.

Er bestaat een Franse literatuur van vóór en een van ná Céline. Francois Mauriac, bijvoorbeeld, mag dan doorgegaan zijn met het produceren van mooi, erg klassiek Frans proza (- hij kreeg er zelfs de Nobelprijs voor). Maar het nageslacht heeft gekozen. Wie leest er vandaag de dag nog Mauriac? Weinigen. Terwijl de 'Reis..', onze gids in het chaotische lawaai van deze wereld, altijd maar weer wordt uitgegeven, gelezen, bewonderd, nageüapt....

mailIcon print |