recensie Tijdens de wereldpremière van het operadebuut 'Wet Snow' van de Nederlandse componist Jan van de Putte liep het dinsdag buiten tegen de 30 graden. Maar binnen in de Amsterdamse Stadsschouwburg viel de natte sneeuw koud en genadeloos op de verloren personages. Twee uur lang was het publiek in de ban van de de hoofdpersoon (simpelweg 'I' geheten), een zichzelf eeuwig hatende buitenstaander die zich in het eerste bedrijf liet vernederen door zijn ex-vrienden. En die vervolgens zijn eigen slachtoffer zocht in de prostituee Liza, om in een epiloog zijn eigen slechtheid te bezingen.
Het contrast in temperatuur had symbool kunnen zijn voor de verrassend andere muzikale taal die Van de Putte in 'Wet Snow' aanboorde. De componist beweegt zich vaak radicaal op het breukvlak van muziek en performance. 'Wet Snow' was daarentegen een 'gewone' opera, die Van de Putte zelfs kenschetste als 'romantisch' en 'expressionistisch'. De vervreemding in de muziek kwam hoogstens van de elektronische tikgeluiden, de pianola die automatisch speelde in de rechterloge, van het muzikale bladeren van de musici en van de belgeluiden op de met vloeistof gevulde wijnglazen. Maar verder stond vooral de eerste akte in de traditie van Alban Bergs 'Lulu', compleet met orkestrale uitbarstingen en belcanto zanglijnen. Door die expressie en het (ook door Van de Putte geschreven) langzaam wurgende libretto is 'Wet Snow' een aanwinst voor de hedendaagse opera.
Heftig en van hoog niveau was ook de uitvoering. I's ex-vriendenkwartet (Niels van Doesum, André Morsch, André Post en Joseph Schlesinger) klonk briljant. De steeds met een idioot uitgerekte lachende cadens afsluitende counter Schlesinger, de barok klinkende Post en een humoristisch 'bla-bla'-kwartet waren de parels van de voorstelling. Spannend was ook het intens gitzwarte optreden van hoofdpersoon Matteo de Monti. Een mooi tegenwicht voor de extreem hoog en zuiver zingende Barbara Hannigan (de hoer Liza), die haar rol van onschuldig offerlam prachtig over het voetlicht bracht.
De gestileerde regie en decor van Giuseppe Frigeni en John Otto pasten wonderwel bij de vervreemdende spelletjes van I. Iedere beweging was minuscuul vastgelegd, als in een choreografie. De zwijgende alter ego's van immer bespiegelende I waren een vondst, het eenvoudige decor met zijn spiegelende kubussen een mooie voorbode voor de totale leegte aan het eind.
Daar zag je een tweede vergelijking met Bergs 'Lulu': Van de Putte had zijn opera duidelijk nog niet helemaal voltooid, getuige de orkestrale leegloop in de tweede akte die resulteerde in een eenzame (en daardoor wat krachteloze) afsluiting van De Monti. Wat dat betreft voltrok de instrumentatie zich omgekeerd aan de dramatische opbouw. Alsof de instrumentale begeleiding wateriger werd en ten slotte verdween, smeltend als natte sneeuw.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.