*

 

Fouad Laroui herleest Sartre

Fouad Laroui − 20/03/04, 00:00

recensie Welke klassieken verdienen het herlezen te worden? Deze maand test het kanon vier grote Franse romans uit de 20-ste eeuw. Deze week 'La Nausée' ('Walging') van Jean-Paul Sartre.

Jean-Paul Sartre (1905-1980) wilde zijn eerste roman eigenlijk 'Melancholia' noemen, naar de beroemde (en geheimzinnige) gravure van Dürer. Onder die titel is het eerste manuscript van het boek dan ook in de Franse Nationale Bibliotheek te vinden. Het was Sartre's uitgever, Gaston Gallimard, die de uiteindelijke titel bedacht -én oplegde- waaronder Sartre's belangrijkste fictiewerk bekend werd: La Nausée ('Walging').

Gallimard had gelijk: het is inderdaad walging -en geen zachtmoedige melancholie -die zich van Roquentin, de verteller, meester maakt op het moment dat het bestaan zich aan hem openbaart: ,,Zelfs op dit moment besta ik, omdat ik het zo verschrikkelijk vind om te bestaan. Afschuwelijk. Ik doe het zelf, ik roep mezelf op uit het niets waarnaar ik verlang. De haat, de weerzin die ik voel tegen het feit dat ik besta, zijn ook manieren om me te laten bestaan, om te verzinken in het bestaan.''

'La Nausée' verschijnt in 1938. Sarte is dan 33 jaar oud. Zijn boek opent met een citaat van Céline: ,,Het is een jongen die niet meetelt in het grote geheel; een individu, meer niet.'' Dat individu, de verteller Antoine Roquentin, woont op zichzelf in Bouville, een denkbeeldige stad die doet denken aan Le Havre, waar Sartre in die tijd leraar filosofie was. Roquentin werkt zonder veel ijver aan de biografie van een obscure lokale persoonlijkheid. Intussen houdt hij een dagboek bij, dat samenvalt met deze roman. Het begint met een ongedateerd blad, waarop Roquentin schrijft dat het wel lijkt of de dingen veranderd zijn, omdat ze bij hem walging oproepen.

,,Van dag tot dag opschrijven wat er gebeurt, dat zou het beste zijn. (...) De nuances, de onbelangrijke voorvallen niet onopgemerkt voorbij laten gaan, zelfs al lijkt het of ze er niet toe doen, en vooral orde op zaken stellen. Ik moet noteren hoe ik de tafel zie, de straat, de mensen, mijn pakje tabak, want daarin ligt de verandering. Ik moet de omvang en de aard van die verandering nauwkeurig onder woorden brengen.'' In de loop van het verhaal preciseert hij dat gevoel van verandering, hij probeert te begrijpen hoe het tot stand gekomen is. Roquentin is in feite bezig de absurditeit van de wereld te ontdekken -en daarmee een nieuw begrip van vrijheid.

Het bestaan, dat de mensen met 'hun kleinzielige koppigheid' liever negeren, openbaart zich overvloedig, zonder uitleg, zonder reden, zonder doel.

,,En toen, toen opeens was het er, glashelder: het bestaan had zich plotseling blootgegeven. Het zag er niet langer ongevaarlijk uit, zoals abstracte categorieën ongevaarlijk zijn. Het was de stof waaruit de dingen zijn gemaakt; de boomwortel was gevormd uit bestaan. Of laat ik het zo zeggen: de boomwortel, de hekken van het park, de bank, het iele gras van het gazon, dat alles was verdwenen; de verscheidenheid van de dingen, hun eigen karakter was alleen maar schijn, een vernisje. Dat vernislaagje was weggesmolten en wanstaltige, weke massa's bleven over, chaotisch - en naakt, ven een angstaanjagende, obscene naaktheid.''

'Walging' is een betoverend boek, het laat de lezer niet los. Elke scène boeit, elke zin is raak, elk personage maakt indruk. Maar de boodschap is onheilspellend. De mens is een overtollig wezen. ,,De idioten. De gedachte dat ik dadelijk weer hun vette, zelfvoldane gezichten zal zien, vervult me met afkeer. Ze maken wetten, schrijven populistische romans, trouwen en begaan de onbegrijpelijke dwaasheid kinderen te maken.'' ,,Overal is verveling, zelfs als je naar bed gaat met de bazin van het café, is dat vooral 'uit beleefdheid'.''

Dat 'La Nausée' deel uitmaakt van de Franse literaire canon van de 20ste eeuw komt vooral doordat het een voor iedereen toegankelijk manifest is van een filosofie die op deze hele eeuw zijn stempel zou drukken: het existentialisme. Jean-Paul Sartre, destijds leraar aan het lyceum in Le Havre, was in 1931 begonnen met een boek over de idee van contingentie in de filosofie, waaraan hij verscheidene jaren werkte. Toen hij in 1934 in Berlijn was om de Duitse filosofen te bestuderen, slaagde hij erin de tweede versie van deze 'lange en abstracte meditatie over de contingentie' om te werken en uit te breiden tot een roman -op advies van Simone de Beauvoir. Een derde versie werd begin 1936 voltooid. Die werd vervolgens aan Gallimard gepresenteerd. In april 1938 verscheen de roman, in bekorte, gezuiverde vorm.

Het is deze versie die sindsdien steeds opnieuw herdrukt, gelezen en becommentarieerd wordt. Natuurlijk lopen de interpretaties uiteen. Sommige lezers hebben in 'Walging' zelfs een boodschap van hoop ontdekt: literatuur zou de mensheid kunnen bevrijden. Maar voor Sarte kon alleen het engagement die rol vervullen. Voor hem bestónd engagement uit schrijven, hij heeft zijn hele leven nooit iets anders gedaan. En voor de anderen? Tja, die moeten hun eigen vorm van engagement zien te vinden. Dat is precies de betekenis van het begrip vrijheid dat zo belangrijk is in Sartre's filosofie en dat de tegenhanger vormt van de contingentie. In Sartre's eigen woorden: ,,De mens is gedoemd tot vrijheid.'' Een paradoxale formule, maar ze zou kunnen gelden als wapenspreuk van de moderne mens.

mailIcon print |