*

 

Rogi Wieg kan zijn 'ik' niet vergeten

Peter de Boer − 10/04/04, 00:00

recensie Je wrijft je even de ogen uit als je de titel van Rogi Wiegs nieuwe bundel leest: 'De Ander'. Wieg is altijd een zeer egocentrische dichter geweest die met zijn plaats in de wereld slecht uit de voeten kon. Dat 'ik', hoewel zelf ook vaag en onkenbaar, was steeds zijn grote houvast. Vanuit dat onzekere perspectief bracht hij zijn thema's in stelling: liefde, dood, vervreemding en depersonalisatie. Als jonge dichter deed hij dat op naieve, lyrische wijze en met een hoofd vol romantiek. Later, in zijn voorlaatste bundel 'Het boek van de beminnelijkheid' (2000) bijvoorbeeld, is die naïviteit verdwenen en voegden zich bij de oude thema's twee nieuwe: depressie en zelfmoord. En met de lyriek is het dan ook gedaan: 'twee doorgesneden polsen lachen om de lyriek'. Niettemin, ook deze bundel was uitgesproken ik-gericht en dat geldt eveneens voor zijn in 2003 verschenen roman met de omineuze titel: 'Kameraad scheermes'.

Is 'De Ander', de titel suggereert dat toch, een radicale ommezwaai van het 'ik' naar de buitenwereld? Niet echt. Het eerste gedicht heet nota bene gelijk al 'Waarom ik?' In het lange voorwoord 'Over het maken' dat de bundel curieus genoeg opent, schrijft Wieg over zichzelf in de derde persoon, als over een ander dus! Hij noemt zijn bundel 'een boek over de ander en het andere', maar is kien genoeg om in te zien dat het 'ik' als maker daarbij volop meedoet. ,,Het boek gaat dus ook over 'het ik'.'' Die redenering brengt de titel 'De Ander' al aardig aan het wankelen. Maar wankel is het perspectief van Wiegs poëzie altijd geweest. Verder is het voorwoord een bonte mengeling van autobiografie, bibliografie, kunstopvattingen, credo, poëtica en lamento. Beschouwend proza was nooit zijn fort. Een deel ervan handelt over de schilderijen die Wieg sinds zijn depressie in 1999 maakte en waarvan er acht in de bundel zijn is gereproduceerd. Ook weidt hij uit over zijn dochtertje: ,,Wieg ziet zijn dochter nooit. Zij groeit op zonder hem.'' Zijn commentaar: ,,Dat is wreed.''

Deze nieuwe bundel heeft dus wel degelijk weer sterk egocentrische kanten. Het titelgedicht stelt het zo quasi-eenvoudig voor: ,,De werkmethode is dat je / niet op jezelf let, maar op / alles, of veel, buiten jezelf''. Dit focussen op de buitenwereld leidt echter tot ambivalente slotregels: ,,Ik verwacht niets [...] / maar sla munten uit gewoon materiaal / munten die ik orden en spaar zonder dat mijn hoofd er op / staat afgebeeld''. Wel, zijn hoofd mag dan op die munten ontbreken, hij heeft er wel degelijk zijn geestelijk stempel (zijn 'werkmethode') op gedrukt.

'De Ander' is als het erop aankomt dus veel 'ikkiger' dan de titel doet vermoeden. Neem het korte gedicht 'Zij':

,,Eerst hield ik van haar, /

totdat, daarna hield ik niet meer /

van haar, totdat, daarna /

had ik aspecten van haar lief, /

totdat, en daarna vergat ik haar, /

totdat. Zo ging het altijd,

totdat het altijd zo bleef gaan.''

Dit 'liefdesgedicht' focust wel op de ander, maar beschrijft alléén de ervaringen en gevoelens die de geliefde in de 'ik' heeft opgeroepen. Zíjn visie en lijden worden hier verwoord. Wel mooi trouwens hoe dat simpele onderschikkende voegwoord 'totdat' hier helemaal niets 'voegt', veeleer iets afkapt en het gedicht inhoudelijk telkens 180 graden doet roteren.

In zijn ambitie een interactie tussen het 'ik' en de 'ander' tot stand te brengen slaagt Wieg zelden. Het 'ik' krijgt bij zijn pogingen telkens te veel accent. Het tobt voortdurend over liefde, dood, zelfmoord, identiteit en het onbereikbare dochtertje. En dat zijn inderdaad zíjn tobberijen, niet die van de ander...

Daarmee is deze bundel echter niet compleet mislukt. Er staan wel degelijk sterke gedichten en passages in. Het surreëel oedipale visioen 'Kus', het in aangrijpend parlando geschetste 'Bij de begrafenis van een onbekende', het melancholiek illusieloze 'De oude zonnebloem' zijn voorbeelden van geslaagde gedichten. En van die verdwaalde regels als in 'Liefgehad' lees ik er graag meer: ,,Grote kunst gaat door / het oog van de naald, een enkele / blauwe draad van zee en hemel / wordt daarna uitvergroot, liefgehad''.

Het is aandoenlijk om te zien hoe Wieg de ordeloosheid (hijzelf zou zeggen 'absurditeit') die hij in zichzelf en het universum ervaart ook hier weer aan banden tracht te leggen met quasi-exact taalgebruik in de trant van 'coördinaten', 'kwantumfysica', 'mijn systeem' en dergelijke.

Zo'n voorbeeld van ontroerend hulpeloze wiskunstenarij is de passage: ,,Wie ons ontwierp kon niet rekenen, of wilde / geen rekening houden met de schoonheid / van wiskundige vergelijkingen in een denkbeeldig veelvlak. / Maar ik werd niet eens ontworpen, vermoed ik, / ik bezit niet het privilege van een maaksel / met handen en ogen gemaakt''. Op andere momenten is dit van de exacte vakken geleende idioom weer heel functioneel, bijvoorbeeld in de regel: 'Doodzijn: het stadium van lichtsnelheid nul'. Het woord 'lichtsnelheid' is zeker voor leken zo'n bij uitstek duizelingwekkend snel begrip dat het stagnante 'nul' daarnaast de vreeswekkende stilstand van het niet-zijn als met een kosmische knal benadrukt.

Gebleven zijn Wiegs soms kromme zinnen, zijn slordigheden (in de beeldspraak vooral), zijn nonchalance in poëtisch exact en precies taalgebruik, hetgeen wat anders is dan het rondstrooien van 'coördinaten' en 'denkbeeldige veelvlakken'. Hij, of althans zijn poëzie, is minder veranderd dan hij zelf meent. Maar hij blijft met regels als ,,Ze hadden hem [Christus, PdB] moeten vastspijkeren / aan een tulp'' een van onze meest sensuele, door al dan niet prettig gestoorde invallen, voorstellingen en denkbeelden gedreven moderne dichters. Daarom laat je een nieuwe bundel van hem toch nooit ongelezen liggen.

mailIcon print |