*

 

Doodsangst, de wortel van de Reformatie

Agnes Amelink − 10/04/04, 00:00

recensie In de ene christelijke kerk van Europa voltrok zich in de 16de eeuw een schisma, dat de wereld volkomen veranderde. Niet alleen in Europa maar ook daarbuiten deden de Reformatie en de Contra-Reformatie zich gelden: je kunt het Amerika van George W.Bush niet begrijpen zonder kennis van juist die periode in de geschiedenis. Hoe was het mogelijk dat heel Europa zich op sleeptouw liet nemen door een paar mannen met kritiek op een kerk die eigenlijk helemaal niet zo slecht draaide?

Het contrast kan bijna niet scherper: aan de ene kant de West-Europeaan van nu, die met een zak popcorn zit te griezelen bij 'The Passion of the Christ' of in de pauze van de Matthüus Passion een broodje zalm wegspoelt, aan de andere kant zijn voorouder van rond 1500. De laatste was wérkelijk bang dat de wereld elk moment kon vergaan. De gebeurtenissen, die de kerk op Goede Vrijdag en met Pasen herdenkt, waren zijn voornaamste houvast.

De veranderingen op de drempel van de 16de eeuw waren revolutionair en in heel Europa heerste een zenuwachtige opwinding. Vooral het onstuitbare oprukken van de Turken boezemde de bevolking angst in. Van boer tot vorst en kardinaal, van hut tot paleis waren de Europeanen ervan overtuigd dat God de Sultan stuurde om het Laatste Oordeel aan te kondigen. En allemaal werden ze gekweld door dezelfde vraag: Hoe red ik dan mijn ziel?

De angst voor de ondergang kon je vijfhonderd jaar geleden niet met een schouderophalen -na mij de zondvloed- afdoen. De dood was niet het grote niets dat de verlichte 21ste-eeuwer er gewoonlijk van maakt, in al zijn niksigheid geruststellend. Nee, God zou persoonlijk met ieder afrekenen en wie te licht bevonden werd, ging naar de hel. Een plek van oneindige en onvoorstelbare folteringen, die overal in de kerken van die dagen aanschouwelijk werden afgebeeld.

Het enige instituut dat de gelovige voor dit verschrikkelijke lot kon behoeden was de kerk. Daar voltrok zich in de Heilige Mis het mysterie van het geloof: brood en wijn werden het lichaam en bloed van Christus. Dankzij dit offer kon de zondaar toch in de hemel komen.

Omdat die harde boodschap -alles of niets, hemel of hel- ook in die dagen voor de mensheid nauwelijks te verteren was, bedachten creatieve geesten een vluchtweg. Een ziel die niet meteen gered kon worden, belandde in het vagevuur. Dat was weliswaar een plaats van straf, maar van een tijdelijke straf. En door goede werken, zoals het opdragen van missen, kon de loutering bekort worden. Dat ging met behulp van een bijna bureaucratisch systeem, met voor elke zonde een vastgesteld aantal goede werken.

Op den duur verkeerde deze boekhouding in een levendige handel, die zowel de gemoedsrust van de gelovige als de kas van de kerk ten goede kwam. In de tijd van Maarten Luther (1483-1546) was de handel in zogenaamde aflaten, waarmee zelfs de zielenrust van reeds lang overleden familieleden veiliggesteld kon worden, uitgegroeid tot een dubieuze bedrijfstak. De jonge, flamboyante monnik Luther verzette zich er fel tegen. Dat verzet kwam voort uit zijn ontdekking dat de mens gered wordt door Gods genade alleen en dat van 'betalen' geen sprake kan zijn.

In 'Reformation - Europe's House Divided 1490-1700' komt de Britse kerkhistoricus Diarmaid MacCulloch er telkens op terug: Als je iets wilt begrijpen van de omwenteling die zich vanaf ongeveer 1500 voltrok, moet je je realiseren hoe radicaal de geestesgesteldheid van de bevolking uit die tijd verschilt van die van ons.

Wat in elk geval helpt, is enige kennis van het christelijk geloof. ,,Blind unbelief is sure to err'', citeert de hoogleraar uit Oxford kennelijk met smaak uit een beroemd gezang van William Cowper. Hij voegt eraan toe dat hij zelf geen enkel religieus leerstuk aanhangt, maar dat hij wel met vertedering terugdenkt aan de tijd dat hij dat wel deed - MacCulloch stamt uit een familie van Schots-anglicaanse geestelijken. Maar hij zegt er óók bij dat voor een historicus blind geloof nog erger is.

Hoe dan ook, MacCulloch heeft een prachtig boek geschreven. Hij laat zien hoe rond 1500 de kerk nog alles beheerste, van het onderwijs en de wetenschap, de kunst en de technologie tot en met de politiek. De kerk 'liep' als een goed geoliede machine, waarvan niemand zich voor kon stellen dat ze ooit uit elkaar zou vallen.

Wereldlijke en geestelijke macht waren verweven op een manier die in het zogenaamd verenigde Europa van tegenwoordig ondenkbaar is. Invloedrijke adellijke families bezetten ook in de kerk de sleutelposities. De kerk was dus ook de plek waar de macht zetelde. Dat het in een tijd van grote veranderingen van binnenuit (de opkomst van het humanisme, de boekdrukkunst) en van buitenaf (de Turken vlakbij Wenen) uitgerekend een monnik was die de lont in het kruitvat stak, was dan ook geen wonder.

Europa ontplofte na de veroordeling van Luther door Karel V in 1521. De paus had de monnik, vanwege zijn ophitsende geschriften tegen het aflatenstelsel, al een jaar eerder als ketter in de ban gedaan. De jonge Habsburgse keizer wilde de eenheid van zijn grote rijk, het grootste dat het christendom ooit gekend had, niet in de waagschaal stellen.

Het mocht niet meer baten. Er volgde een uitbarsting van verzet tegen de gevestigde orde, die werd gevoed door het idee dat Luther de profeet van de eindtijd was en de paus de grote Antichrist. De Reformatie greep razendsnel om zich heen, met als antwoord van Rome de Contra-Reformatie, die steunde op de volgelingen van Ignatius van Loyola, de jezuïeten. Net als Luther was Ignatius van Loyola een monnik die een spectaculaire bekering doormaakte. Maar in zijn geval leidde die juist tot extra gehoorzaamheid aan de paus van Rome.

MacCulloch belicht de geschiedenis van de Reformatie, de Contra-Reformatie en de godsdienstoorlogen vanuit alle mogelijke locaties en gezichtspunten, zoveel dat het onmogelijk is om als lezer het overzicht te bewaren. Desondanks weet hij de aandacht vast te houden. Als het rond 1540, ondanks oprechte pogingen van gematigde krachten aan beide zijden, definitief niet lukt om tot een verzoening te komen, kun je een zucht van spijt nauwelijks onderdrukken. In de tussentijd heeft MacCulloch je dan ingewijd in het gedachtegoed van Erasmus, de betekenis van de psalmen voor het verzet in Frankrijk, de invloed van het jezuïeten-onderwijs in Polen, de achtergronden van de biechtstoel en de bijzondere politieke constellatie in het Zwitserse Graubünden.

De ragfijne theologische nuances bij uiteenlopende hervormers als Bullinger, Bucer, Luther,

Melanchton, Zwingli en Calvijn worden uit de doeken gedaan, evenals de rol van de protestantse koningin Elizabeth I in Engeland en die van Oliver Cromwell een eeuw later.

Het heeft een dikke pil opgeleverd, maar zelfs als je denkt 'dat hoofdstuk over de kolonisatie van Afrika en China kan ik wel overslaan', weet MacCulloch je te boeien door verbanden te laten zien, die een licht op de actuele situatie werpen. Zijn typisch Engelse lichte stijl, met veel gevoel voor het geestige detail, voorkomen dat het ook maar één moment onverteerbaar wordt.

Dat MacCulloch als Britse historicus veel aandacht besteedt aan de Reformatie in Engeland en Schotland zij hem van harte vergeven. In 1996 publiceerde de schrijver al een bejubelde biografie over Thomas Cranmer, aartsbisschop van Canterbury onder Hendrik de Achtste en daarmee een van de belangrijkste vormgevers van de anglicaanse kerk. De aandacht voor de Britse kant is bovendien goed te verdedigen: juist de Angelsaksische protestanten hebben een onuitwisbaar stempel gezet op de koloniën in de nieuwe wereld.

In antwoord op de Spaanse en Portugese annexatie van Zuid- en Midden-Amerika voor de kerk van Rome, begonnen de Engelsen in het begin van de 17de eeuw met het stichten van nederzettingen in Noord-Amerika. Velen van de Engelse immigranten waren puriteinen. Ze zagen in de nieuwe wereld een mogelijkheid een gemeenschap van ware gelovigen te stichten, even voorbeeldig als de bijbelse 'stad op een berg'. Dit denken in bijbelse termen was voor de identiteit van wat later de Verenigde Staten werd van doorslaggevend belang. De kleine groepjes kolonisten beschouwden zich als 'het uitverkoren volk', door God voorbestemd (naar Calvijn) voor een bijzondere taak. Ze zouden de wildernis herscheppen in het paradijs.

Door de godsdienstoorlogen in het Engelse thuisland tussen 1640 en 1660 zwol de stroom landverhuizers aan, allemaal met hun eigen hooggestemde idealen. Door die verscheidenheid ontstond aan de Amerikaanse oostkust een geheel eigen variant van protestants christendom. Waar in het oude Europa godsdienstvrijheid in het allerbeste geval bestond in de vorm van tolerantie, een ruimhartig gebaar van een meerderheid die stevig in het zadel zat, was in het jonge Amerika van meet af aan sprake van kerken die met elkaar moesten concurreren. Geen enkele denominatie kon aanspraak maken op exclusiviteit, maar toch was het een geheel.

Daarbij moet bedacht worden dat het Amerikaanse protestantisme geen strijd met een krachtige Contra-Reformatie heeft gekend. Dat heeft een heel eigen zelfbewustzijn opgeleverd en daardoor zijn de verschillen tussen het Amerikaanse en het Europese christendom veel groter dan je op het eerste gezicht zou denken. MacCulloch: ,,Als Groot-Brittannië een rol moet spelen in de wereldpolitiek is het misschien vooral dat het de assertieve, indringende rol van de religie in de VS moet uitleggen aan een Europa dat aan het vergeten is wat de Reformatie eigenlijk inhoudt.''

MacCulloch heeft een formidabele bijdrage geleverd aan de kennis van de Reformatie. Je zou zijn boek op het bureau van elke geestelijke wensen, maar nog meer op dat van politici en andere opinieleiders. In zijn slotbeschouwing trekt hij met een paar grote streken de lijnen door naar vandaag. Het denken is doorgegaan, maar -waarschuwt hij- er is geen enkele reden om met intellectuele superioriteit neer te kijken op onze voorouders, die bereid waren elkaar af te slachten voor een onjuist antwoord op de vraag of brood en wijn nu werkelijk veranderen in lichaam en bloed van Christus, of op de vraag hoe Jezus tegelijk menselijk én goddelijk kan zijn. De ideologieën mogen tegenwoordig nogal eens seculier zijn, ze hebben zeker in de 20ste eeuw niet minder wreedheid opgeleverd.

mailIcon print |