*

 

'Spoken' is dwingend en verrassend intens

Hanny Alkema − 10/06/04, 00:00

opinie Op een tropische avond je publiek vier uur lang gevangen houden in de verstikkende atmosfeer van een met spoken uit het verleden en burgermansfatsoen worstelende familie, is welhaast een (theater)daad van agressie. Het is dat, meteen al bij aanvang, het geluid van kletterende regen en knetterende donderslagen je de (onbedoelde) suggestie van een straks opgefriste buitenwereld geven. Verder laat regisseur Dirk Tanghe geen middel onbenut om ons een somberte in te trekken, die je het leven ondraaglijk makende, 19de-eeuwse morele conventies bijna fysiek doet beleven. Zijn versie van Ibsens 'Spoken' (1881) is dwingend en verrassend intens.

Met Freek Luider heeft hij een decor ontworpen dat, als een grijsrode salon (zonder ramen!), de hele breedte van het theater beslaat tot aan de zijkanten van de tribune. Het is zo of je deel uitmaakt van het in schemerduister gehulde drama. Alleen als de zware houten deuren aan de zijkant, tergend langzaam, opengaan, valt een streep licht de kamer binnen. Even traag is de speelstijl. Gekleed in zware, schilderachtige kostuums (ontwerp Mirjam Pater) staan en zitten de spelers als gebeeldhouwd, roerloos. Elk klein gebaar -het pakken van een boek, het wegpinken van een traan- krijgt daardoor een overdonderend effect. De tekst wordt met lange stiltes gelardeerd en uiterst zorgvuldig gesproken. Elk woord als een goudschaaltje gewogen.

Hier is elke levenslust, waarnaar de met erfzonde belaste zoon Oswald (Jeroen Venrooij) juist snakt, met kracht uigebannen. Door moeder Helene Alving (Maike Meijer) die zich, ondanks haar verlichtere opvattingen en walging van haar inmiddels overleden schuinsmarcheerder van een man, heeft laten vastketenen aan haar huwelijkse plichten. Door de als een engel der wrake rondwarende dominee Manders (Bas Keijzer), in smetteloos wit pak en met afgemeten stem het toonbeeld van onkreukbaar en rechtschapen geachte hypocrisie. Dat dienstmeisje Regine (Elisa Beuger), bastaarddochter van Alving, zich van hen los weet te maken, neemt niet weg dat dit van alle verse lucht verstoken milieu je de adem en het zicht op een relativerende toon beneemt.

Spel en voorstelling scheren zo razend scherp langs de afgrond van de karikatuur, dat het soms even misgaat. Als Oswald om meer licht vraagt, wordt een zo miniem brandend olielampje opgebracht, dat het potsierlijk is. En tegen het eind barst plots iedereen los in een snotterende pathetiek, wellicht bedoeld als reactie op de eerst ijzeren discipline, maar te larmoyant om de opgebouwde spanning vast te houden. Zonde van het alsnog ijzingwekkende slot: bevroren in ontsteltenis laat de moeder na haar in doodsnood verslappende kind de beloofde hulp te geven: 'Moeder, geef me de zon'.

mailIcon print |