*

 

Gedrogeerde Poolse woede

Antoine Verbij − 09/10/04, 00:00

recensie Dit boek brengt de lezer de uitputting nabij. Tweehonderdvijftig pagina's lang dendert de trein van Maslowska's proza maar voort en voort. Een monoloog van een dolende jongeman die door zijn meisje is verlaten en zijn ongeluk verdrijft met andere meisjes en eindeloos veel speed. Een nachtmerrie, een slechte trip tegen het decor van een troosteloze woonwijk aan de rand van een Poolse provinciestad.

Andrzej Robakowski heet hij, maar iedereen noemt hem 'de Sterke'. Hij spreekt zichzelf toe, hij spreekt zijn vrienden toe, zijn vriendinnen, zijn pik, zijn land, de wereld. Hij is woedend, krijgt driftbuien, kalmeert zich dan weer met een lijntje amfetamine, raakt opnieuw opgefokt, scheldt alles en iedereen uit. Hij is gek, doorgedraaid, maar nog gekker zijn de mensen om hem heen, de weggelopen Magda die het met zijn vrienden houdt, de boulimische Andzela die stenen kotst, de criminele junk Natasza, het burgertrutje Ala, de typiste op het politiebureau die, hoe merkwaardig, Dorota Maslowska heet.

En ondertussen voeren de Polen oorlog met de Russen en moet iedereen op elk gewenst moment zijn patriottische gezindheid bewijzen. De woordenstroom eindigt pas wanneer de Sterke op het politiebureau een poging tot zelfmoord doet en in het ziekenhuis belandt, waar Magda de draden en slangen die hem in leven houden, uit hem los trekt en op de grond gooit. Hoewel het dan nog vijftien pagina's duurt voor de Sterke zijn laatste woorden uitspuwt.

De Polen hebben Maslowska's debuut omarmd. Ze herkenden er hun eigen nood in, hun woede op de buren in Oost en West, hun pogingen om erachter te komen wie ze zijn en waar ze staan. Vooral de Poolse jeugd herkende er haar onzekerheden in, haar uitzichtloosheid, haar vluchtgedrag. Maar niet alleen in Polen is het boek een succes. In Frankrijk en Duitsland is het als een sensatie binnengehaald. Aan de Nederlandse vertaling is af te zien waar dat succes vandaan komt. De taal, de toon, de stroom aan invallen, grappen, grofheden en poëtische momenten. Maslowska heeft een eigen taal gefabriceerd uit de straattaal van jongeren en het discours van de culturele klasse. Nu eens hortend, dan weer vloeiend, soms onbegrijpelijk, vaak opwindend, maar constant imponerend neemt de woordenvloed bezit van de lezer.

Maslowska schreef een letterlijk razend intelligent relaas over de Poolse vertwijfeling. En dan te bedenken dat de inmiddels tweeëntwintigjarige schrijfster het boek op haar achttiende schreef, in één maand tijd, terwijl ze eindexamen deed. Als dat waar is, is het boek een nog groter wonder dan het sowieso al is.

mailIcon print |