*

 

Je kunt er ook te veel in lezen

A.Th. van Deursen − 09/10/04, 00:00

recensie Jacoba van Thiel had een eigen kamer. Is dat vreemd? Ik zou zeggen van niet. Jacoba was een ongehuwde jonge vrouw, die inwoonde bij haar zwager. Die zwager was dominee, toen nog kinderloos, en tamelijk ruim behuisd. In de pastorie was vast wel een vertrekje over voor zijn schoonzuster.

Jeroen Blaak, schrijver van 'Geletterde levens' ziet het anders. De burgerlijke huiselijkheidsideologie wees het namelijk af. Toentertijd -we hebben het over het jaar 1768- vond men privé-kamers voor vrouwen gevaarlijk. Ze konden zich dan onafhankelijk maken en zich onttrekken aan het huiselijk leven, waarvan zij het middelpunt hoorden te zijn.

Nu geloof ik om te beginnen niet, dat een jong echtpaar zonder kinderen een inwonende zus tot middelpunt van het huiselijk leven zal maken. En eerlijk gezegd geloof ik ook niet zo erg in die burgerlijke huiselijkheidsideologie. Mensen vonden het waarschijnlijk gezelliger bij elkaar in de huiskamer te zitten, temeer omdat vast niet in elk vertrek gestookt werd. Persoonlijk zou ik denken dat de eigen kamer voor elk gezinslid meer te maken heeft met de opkomst van de centrale verwarming dan met huiselijke ideologie. Zo gaat het mij vaker, als ik zie hoeveel vernuft in historische studies aan de cultuur van het dagelijks leven besteed wordt. Verliezen we door over-interpretatie het eenvoudige niet uit het oog?

Misschien kunnen we het eens toetsen aan het leesgedrag. Dat heeft, zo zegt men thans, een hele geschiedenis achter zich, van intensief en extensief lezen, van humanistische en piëtistische lezers, en haast vanzelfsprekend ook nog een leesrevolutie. Bij dat alles is steeds ruimte voor nieuwe interpretaties, want veel feiten zijn niet beschikbaar.

Het is de verdienste van Jeroen Blaak, dat hij probeert in dat gebrek te voorzien. In 'Geletterde levens' onderzoekt hij vier dagboeken uit de zeventiende en achttiende eeuw, waarin de schrijvers regelmatig vertellen over hun lectuur. Zo kun je dan uitzoeken wat ze lazen, hoe ze dat deden, en waar, en wanneer, en waarom. Doe je dat nauwgezet, zoals Blaak gedaan heeft, dan kun je voor dit viertal nagaan in hoeverre de bestaande theorieën van toepassing zijn. En omdat Blaak vanzelfsprekend ook eerlijk te werk gaat, blijkt telkens dat ze eigenlijk allemaal afwisselend in alle vakjes passen. Precies zoals vandaag dus. Soms lezen we grondig, soms oppervlakkig. Nu eens maken we aantekeningen, en dan weer laten we de pen rusten. Tot zover, zou ik zeggen, de geschiedenis van het leesgedrag.

Blaaks boek nodigt mij dan ook vooral uit, mij als lezer te gedragen, niet als onderzoeker. We maken kennis met vier interessante mensen, die ons inlichten over hun lectuur. Soms twijfel ik of ze net zo eerlijk zijn als Blaak. Ze lezen alleen boeken waarmee je eer kunt inleggen, nooit erotiek of plat amusement. Vrij zeker lazen ze ook meer dan ze opschreven. Zo zegt Jan de Boer, dat hij met zijn tong een verbond gesloten had. Ik ken voor die uitdrukking geen andere bron dan het boek Job. Zou ook deze katholiek een bijbellezer geweest zijn, net als de andere drie, die dat wel van zichzelf vermelden? Die waren gereformeerd, in verschillende graden van vroomheid.

Jacoba van Thiel was de vroomste, en wordt daarom door Blaak tot de bevindelijken gerekend. Een begrijpelijk misverstand. Bevindelijk gereformeerden schrijven tegenwoordig veel over hun eigen geschiedenis, en hebben daar zoveel succes mee, dat vreemdelingen in het kerkelijk Jeruzalem hen voor de enige bewoners van die stad houden. Jacoba van Thiel las de door en door verlichte Bélisaire van Marmontel, en vond het prachtig. Noem dan ook maar iemand die geniet van Karel van het Reve een communist, of een bewonderaar van Rushdie een goede moslim. De intensieve lezer zal dus zelf Jacoba moeten herinterpreteren. De kennismaking met haar en de andere drie blijft de moeite waard.

mailIcon print |