opinie Kan een goed toneelstuk te oud worden? Het is een intrigerende vraag na voor de zoveelste maal oog in oog te staan met Becketts eerste grote toneelstuk, 'En attendant Godot', boegbeeld van het absurdistisch theater, en, in grotere kringen daaromheen, van de postmoderne literatuur en filosofie.
Het is ook een beetje rare vraag, want Shakespeare is na 400 jaar nog springlevend, en de oude Grieken na 2400 jaar. Misschien is 'Wachten op Godot' met z'n krap 55 jaar nog te jong om zó klassiek te zijn.
En de toneelspelers die, zoals ook al bijna een halve eeuw gebruikelijk is, driftig aan het knippen en plakken slaan in een Griek of meester William, hoeven slechts de toorn van de criticus te vrezen. Maar wie iets verandert aan een tekst van Beckett, wordt genadeloos voor de rechter gesleept door de agent van de erven.
Het is dan ook grappig dat bij de voorstelling die afgelopen zaterdag in première ging, Jos Thie en zijn medewerkster Lotte Douze melden dat de 1000 wijzigingen in de vertaling van Jacoba van Velde uit 1950 allemaal gebaseerd zijn op veranderingen die Beckett zelf heeft aangebracht in latere bewerkingen en ensceneringen, en met medeweten van de agent. Het resultaat is een bijzonder vormvaste, op een bijna museale circuspiste van Mirjam Grote Gansey gebrachte voorstelling, waarbij een geeuwtje af en toe toch niet te onderdrukken is. Het ene paar uit het stuk, de landlopers Vladimir en Estragon, die in de twee bedrijven tevergeefs wachten op de komst van meneer Godot, wordt gespeeld door het Mini & Maxi-duo, Karel de Rooij en Peter de Jong.
Dit was een waagstuk. Thie liet hen weliswaar niet, zoals wel is gedaan, spelen in clownspak en rood-wit geschminkt, maar met de ook al vaak vertoonde Chaplin-hoedjes waren de twee variété-artiesten vooral in het tweede bedrijf soms te lollig met hun personages in de weer, terwijl het eerste bedrijf te weinig vaart bezat om de absurde dialoog met de nodige brille de zaal in te krijgen.
Het andere stel, de slavendrijvende Pozzo (Peter Tuinman) en zijn lijdende knecht Lucky (Stefan de Walle) hadden wel een naar de klucht overhellend spel, maar waren toch meer acteurs.
'Wachten op Godot' kent een woud aan interpretaties. Is het een mysteriespel, zoals Jeanne van Schaik-Willing 'Eindspel' eens noemde, maar dan één zonder hoop op verlossing, uitzichtloos? Of heeft Wolfgang Hildesheimer gelijk, die over Becketts personages schreef: ,,dat ze de schaamte en de deemoed van de beide landlopers, die eens op Godot wachtten, achter zich en misschien een verlossing vóór zich hebben.
Dat ze zich tenminste mogen afvragen: 'Wanneer zal dit alles niets anders zijn geweest dan spel?' Thie liet het met een diepe buiging voor Becketts tekst verder aan de toeschouwer over.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.