*

 

Bijt jouw hond? De mijne wil ontbijt.

Peter de Boer − 06/03/04, 00:00

recensie Schrijf eens in plusminus 120 woorden een boeiend verhaaltje voor kinderen van een jaar of vier. Dat is geen sinecure! De Duitse Rotraut Susanne Berner gaat het echter meestal goed af. En dan maakt ze er ook nog zelf geestige, kleurrijke en fantasievolle tekeningen bij, die de verhaaltjes een extra dimensie geven. Want Berner is primair een illustratrice van aanzien in binnen- en buitenland. Zo heeft zij Enzensberger befaamde 'De telduivel' van tekeningen voorzien en brak ze in ons land door met illustraties bij Toon Tellegens 'Mijn vader'. Haar werk is dan ook o.a. bekroond met twee Zilveren Penselen en de Duitse Jugendliteraturpreis.

Het is altijd weer spannend om dubbeltalenten in de kinderliteratuur aan het werk te zien. Denk alleen maar aan de boeken van Ted van Lieshout en Joke van Leeuwen, die beiden schrijven én het geschrevene illustreren. Zij werken op twee fronten aan één onderneming. In de krijgskunde is dat een riskante strategie, maar als het lukt is de overwinning ook totaal. Joke van Leeuwen lukt dat, Van Lieshout ook, en Rotraut Berner evenzeer.

De laatste had al drie hardkartonnen prentenboekjes over het konijntje Kareltje geschreven. Nu heeft ze daar een echt verhaaltjesboek over de inmiddels vierjarige Kareltje bij geschreven onder de titel 'Kareltjes voorleesboek'. Veel meer tekst en bladzijden dus, met toch altijd nog her en der prachtige illustraties. De hoeveelheid verhaal, de verbale informatie, is toegenomen en het mag gezegd: dat gaat Berner uitstekend af.

Neem gelijk het eerste verhaaltje. Kareltje ligt nog op bed en heeft een slechte bui, zegt hij tegen mama. De laatste zegt even prompt als onverwacht: ,,Ik ook' en schuift bij haar zoontje en diens knuffels in bed en trekt de deken over hun oren. Dat bevalt Kareltje wel: het is veilig, warm en donker. Dan zegt hij: ,,Ik heb van een enge hond gedroomd.' Mama antwoordt alweer prompt: ,,Ik ook.' Daarop volgt deze kleine slotscène: ,,'De mijne wilde bijten', zegt Kareltje. 'De mijne wilde ontbijten', zegt Mama. 'In mijn billen', zegt Kareltje. 'Worteltjesmüsli en chocolademelk', zegt mama. 'Worteltjesmüsli en chocolademelk?' roept Kareltje. En vlug neemt hij Teddy onder zijn arm en springt uit bed.' Einde verhaal.

Hoe mama in zo'n piepklein bestek haar kleuter het bed weet uit te krijgen, zonder enig gesnauw maar met geestig pedagogische (verleidings)middelen, is fraai. Dat Berner dat met zo weinig woorden weet waar te maken, is zo nodig nog fraaier. Zo gaat het eigenlijk in alle 29 verhaaltjes. Berner hecht zeer aan pedagogiek, maar ze weet dat zo grappig, fantasievol en literair verantwoord in te bouwen dat er niets mis mee is. Er komt wel de nodige wortelsap en worteltaart bij kijken maar dan staat Kareltje ook voluit open voor een opvoedkundige les van de geestige soort. Het geheel leest als een feesttrein; je zou willen - en hoe vaak heb ik dat de laatste jaren al niet gedacht - dat je vroeger zelf ook zulke boekjes had voorgelezen gekregen.

Ander voorbeeld. Het is winter en Kareltje wil met zijn knuffel Pinguïn sleetje rijden. Dan moet hij zich wel warm aankleden van mama en daar heeft hij nou juist geen zin in. Waarop moeder, slim en grappig pedagogisch alweer, antwoordt: ,,Jammer. Dan maak ik maar worteltaart van die mooie neus van de sneeuwman.' Oei, dat is Kareltjes bedoeling niet en als de wiedeweerga trekt hij nu zijn warme kleren aan! Intussen is ook dit verhaaltje weer in krap 130 woordjes opgeschreven; echt een prestatie.

Los van haar sympathieke pedagogische souplesse, die op zichzelf geen literair criterium is natuurlijk, weet Berner in deze verhaaltjes de kleuterwereld voortreffelijk op te roepen en als het moet ook een beetje op te schudden tot iets bekends dat toch weer als nieuw overkomt. Natuurlijk vraagt Kareltje zijn mama en papa de lange konijnenoren van het hoofd: ,,Waarom zijn worteltjes niet blauw?'; ,,Wat is geduld?'; ,,Wat is tijd?' Hij wil bij oma kerst vieren midden in de zomer, en de wekelijkse zondagse taart al bakken op woensdag en eten op donderdag. En hij krijgt oma nog zo gek ook, want manipuleren kunnen die kleintjes wel.

De ouderen ook trouwens. Want als Kareltje zich een keer verveelt, verzint mama het 'verveelspel', waarbij je alleen maar mag denken aan wat je het leukst vindt. Kareltje denkt aan zijn knuffels en nieuwe tekenschrift en prompt is de verveling verdwenen en maakt hij tekeningen van zijn knuffels.

Zo zijn er allerlei dicht-bij-huis-onderwerpen die Berner met veel gevoel voor humor en pregnante zeggingskracht aan bod laat komen. Tanden poetsen. Niet zo welkome visite. Ruzie met je nichtje. Jokken. Enzovoorts. Het misschien wel mooiste verhaaltje staat aan het slot, als Kareltje bij zijn ouders in bed wil. Want: hij durft zijn ogen niet dicht te doen omdat het zo donker is en gebeurt dat toch dan is het weer zo eng donker als hij zijn ogen wel opendoet. Hij weet dan niet meer 'of ik er nog wel ben' en of papa en mama er nog wel zijn. En hij is toch liever bij hen als die er niet meer zijn! Na zo'n sentimentele, sofistische redenering willen je ouders je wel in het echtelijke bed toelaten. Slim kereltje, die Kareltje.

mailIcon print |