*

 

Hún stemmen, niet de mijne

Rob Schouten − 14/02/04, 00:00

recensie Stikken van de hitte, vernikkelen van de kou. Dorst. Honger. Gevaar. En prachtige landschappen. Afrika is altijd een dankbaar onderwerp geweest voor reisschrijvers. Maar er lijkt iets veranderd. Steeds vaker onthoudt de schrijver zich van commentaar. Hij vereenzelvigt zich met zijn onderwerp. Niet zijn stem, maar die van het beschreven volk moet gehoord worden. Maar werkt dat eigenlijk wel?

Reizen en ontberingen hangen al sinds de oudheid, maar vooral sinds het optreden van Stanley en Livingstone in de 19de eeuw, nauw met elkaar samen. Daarom bestaat er, naast een overvloed aan reisgidsjes waarin de modale toerist getoond wordt hoe hij de risico's kan mijden, ook een canon aan literatuur waarin gevaren en avonturen juist worden opgezocht. Auteurs als Paul Theroux en Redmond O'Hanlon hebben er zelfs zo'n beetje hun roeping van gemaakt om in een wereld van wolkenkrabbers en buitenwijken de traditie van de ontdekkingsreiziger hoog te houden en in hun kielzog trekt een heel leger aan wat ik zou willen noemen 'ontdekkingsschrijvers' over de aarde.

De Engelsman Owen Sheers en de Portugees Pedro Rosa Mendes behoren daar ook toe. Beiden bewogen ze zich langdurig in Zuidelijk Afrika, op zoek naar verhalen die bezijden de gebaande wegen liggen. Sheers groef zich daartoe het verleden in, Mendes waagde zich in oorlogsgebied. Om met de laatste te beginnen, in zijn boek 'Tijgerbaai' tracht Mendes van Angola naar de Oostkust van Afrika te reizen, waar die andere voormalige kolonie van Portugal ligt: Mozambique. Een reis door kapotgeschoten gebied, en door overhoop geraakte maatschappijen. Het epicentrum van zijn boek 'Tijgerbaai' (een gebied dat Mendes, symbolisch voor zijn reis, maar niet kan bereiken) is Angola, een streek waar men weinig toerisme hoeft te verwachten, en zijn verhaal is daar ook naar. Dit is een wereld van mijnenvelden, soldaten die reizigers tegenhouden, verminkte ledematen en tergende ontberingen. Een land om regels als de volgende in op te schrijven: ,,Overdag rijden. 's Nachts rijden. Droog maïsmeel eten of niets eten. Het laatste conservenblik bewaren. Thee koken met van struiken geplukte blaadjes. Koken in zwarte pannen op de grond vol wielsporen. Het laatste conservenblik opentrekken. Met je handen eten van borden met afgebrokkeld email. Denken aan vers water. Speeksel vormen op een zoute tong. Een uur na opkomst van de maan vernikkelen van de kou. Een uur na opkomst van de zon stikken van de hitte.'' Zo zul je weten dat Afrika nog niet overal een werelddeel voor luie genieters is.

Mendes heeft ervoor gekozen zijn relaas zonder al te veel tussenkomst van hemzelf te doen. Geen subjectief commentaar van de auteur, geen kritiek of analyse. Alleen stemmen en geluiden van de omgeving. Hij wil Angola en zijn bewoners als het ware tot leven wekken met brokstukken opgevangen dialoog, stukken journaal, gedichten.

Je zou dit boek daarom ook 'Stemmen uit Afrika' kunnen noemen. De poëtische aanpak dus, en niet toevallig wordt 'Tijgerbaai' dan ook een roman genoemd, al lijkt ze voortdurend geënt op de realiteit. Het onderwerp van Owen Sheers in 'Het Afrikaanse dagboek van Arthur Cripps' is weliswaar heel anders dan dat van Mendes, maar ook hij is bij zijn ontdekkingstocht door Afrika bevangen door een dichterlijke impuls, een verlangen om zijn onderwerp tot fictie te verheffen. Daartoe trekt hij niet, als Mendes, oorlogsgebied in, maar de koloniale geschiedenis. Een verre oudoom van de schrijver, Arthur Cripps, heeft rond 1900 als missionaris in het toenmalige Rhodesië gewoond. De man, een uitzonderlijk voorbeeld van iemand die zich meer met de plaatselijke bevolking dan met het machtige Engeland vereenzelvigde, heeft nogal wat sporen nagelaten en die trekt Sheers na. Maar net als Mendes beperkt hij zich niet tot een journalistiek verslag van zijn zoektocht maar hij poogt er een literair werk, een roman van te maken. De titel van dit boek, met 'dagboek' erin, moet je dan ook niet letterlijk nemen, hoogstens zijn de verhalen gebaseerd op dagboekfragmenten, brieven en andere bestaande journalen, maar Sheers heeft die naar zijn eigen hand gezet.

Ook 'Het Afrikaanse dagboek van Arthur Cripps' wil als literatuur gelezen worden, gezien alle stijl- en perspectiefwisselingen die Sheers toepast, met sprongen door de tijd heen, stukken die we zogenaamd door de ogen van Cripps zelf meemaken en fragmenten waarin Owen zijn oudoom toespreekt. Ik ben 'bezig je leven te koloniseren met mijn fantasie' schrijf hij ergens en zo is het. Maar achter die op zichzelf heel betamelijke wijze van vertellen gaat ook een gemis schuil, want eigenlijk heb je voortdurend het gevoel dat de geest van deze bijzondere Engelse geestelijke, ooit na een onoorbare liefdesaffaire naar Rhodesië getrokken en daar één geworden met de plaatselijke bevolking, gevuld is met overwegingen van een ander. Juist het feit dat Sheers zich zo innig in hem probeert te verplaatsen geeft deze geschiedenis iets ongeloofwaardigs. Neem een observatie als deze, beschreven vanuit Cripps zelf: ,,Hij is wakker. Hoelang al? Beslist langer dan hij beseft. Hij weet het niet precies. Zo gaat het tegenwoordig steeds vaker, zijn dromen gaan verder na de slaap, de nacht sijpelt door in de dag. Maar wat betekenen die woorden nog voor hem.'' Dat is misschien dichterlijk, maar door zijn poëtisch ingevulde gedachten raakt de Victoriaanse hoofdpersoon ook verder van je verwijderd dan bij een verslag van louter dagboekfragmenten en brieven het geval zou zijn geweest. Zowel Mendes als Sheers laboreert in hun Afrika-boeken aan de modieuze hebbelijkheid van sommige hedendaagse journalisten om hun onderwerp te willen laten spreken, in plaats van het kritisch en met afstand te benaderen. Hun werkstukken aarzelen tussen reisboek en roman, en misschien vertegenwoordigen ze daardoor wel een crisis in de reisboekenliteratuur, waarvan de markt een beetje verzadigd lijkt te raken. De auteurs proberen zich zoveel mogelijk met hun onderwerp te vereenzelvigen: ze willen de wereld voor je oproepen in plaats van haar in kaart brengen. Daardoor heb je steeds het gevoel dat er iets niet klopt. Waar is hun eigen blik? Wat vinden ze er zelf allemaal van? Hoe verhouden zij zich tot het land dat ze beschrijven? Het is allemaal kleurrijk en bewogen genoeg, die stemmen van Angolezen, die na de gruwelen in hun land dapper proberen te overleven, of het innerlijke leven van een Keats-lezende Engelsman in koloniaal Rhodesië, maar het blijft, juist omdat we ons met alle geweld in hun geest moeten verplaatsen, ver weg. Zo voelen deze boeken een beetje aan als strafexpedities voor de toerist die onbedoeld ingepeperd krijgt dat hij niet verbaasd mag rondkijken maar zich koste wat het kost moet inleven.

mailIcon print |