recensie Het is nauwelijks voor te stellen, maar ruim een eeuw geleden vonden de meeste politieke partijen in ons land de 'kwaliteit' van hun electoraat belangrijker dan zijn omvang. Het ging de partijen niet om zoveel mogelijk kiezers, maar om 'goede' kiezers.
Nog verbazingwekkender: in het districtenstelsel, dat gold voor 1917, werd de roep om algemeen kiesrecht weliswaar door nogal wat politieke groeperingen met de mond beleden, maar prioriteit genoot het onderwerp lange tijd níet, niet bij politici, maar ook niet in de samenleving. Dat leert 'Actieve burgers' van Gert van Klinken.
Simpel gezegd kwam het erop neer dat politici en bevolking het lange tijd prima vonden dat het kiesrecht beperkt bleef tot een klein deel van de mannelijke bevolking -in 1870: 11 procent, in 1888: 28 procent, in 1897: 50 procent-, tot een elite van verstandige, rijke en deftige heren.
De meeste parlementariërs dachten als Samuel van Houten in 1869: ,,Tegenover mijne kiezers voelde ik mij alzoo als leider en woordvoerder, niet als dienaar'' en zowel kiezers als niet-kiezers (!) ondergingen de grondwetswijziging van 1887, die een uitbreiding van het mannenkiesrecht bevatte, onaangedaan en ongeïnteresseerd.
Ofschoon de auteur zelf de betekenis van '1887' meer dan eens onderstreept, komt een ander jaartal wellicht eerder in aanmerking als keerpunt in de kiesrechtstrijd. Vanaf 1894 beginnen opvattingen over het kiesrecht partijen en bevolking in twee kampen te verdelen. Vanaf 1894 beginnen staat en samenleving elkaar, naar het woord van Jan Romein, wederzijds te doordringen.
Door afsplitsingen traden nu de eerste scheurtjes op in de nog jonge Nederlandse politieke vierdeling van anti-revolutionairen, rooms-katholieken ('rechts'), sociaal-democraten en liberalen ('links'). Die versnippering maakte nieuwe, andere samenwerkingsverbanden noodzakelijk - of een keuze voor het isolement. Het betekende het begin van het einde voor de ooit zo machtige liberale beweging en de voltooiing van het toenaderingsproces tussen katholieken en 'hun meest onwaarschijnlijke coalitiepartner' (Van Klinken) de protestanten.
De kiesrechtstrijd werd beslecht tijdens de afsluiting van de Sturm- und Drang-periode van emancipatiepartijen als de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de sociaal-democratische SDAP. 'Links' bewees daarbij ongewild goede diensten aan de christelijke partijen: Het algemeen mannenkiesrecht en de invoering van de evenredige vertegenwoordiging in 1917 waren -hoewel niet altijd con amore- 'linkse' wensen en de confessionele partijen hadden aanvankelijk juist bezwaren. Maar het uitgebreide kiesrecht legde uitgerekend de christelijke partijen bepaald geen windeieren. De liberalen daarentegen belandden in de periferie van de vaderlandse politiek en voor de sociaal-democraten viel de stemmenwinst tegen.
De liberalen slaagden er niet in tijdig op veranderingen in de maatschappij te reageren. De ARP daarentegen had juist heel goed begrepen dat de politiek voortaan niet alleen in het parlement, maar ook daarbuiten zou worden gemaakt. Daaraan kan wellicht nog worden toegevoegd dat het electoraat van de confessionelen zich niet tot één maatschappelijke of sociale klasse beperkte.
Gert van Klinken heeft dit zich in vijftig jaar geleidelijk voltrekkende proces minutieus, maar ook met vaart beschreven. Na 1894 wint het verhaal aan levendigheid, omdat ook de politieke strijd levendiger werd.
Zou het toeval zijn dat Van Klinkens studie uitgerekend op het moment verschijnt, waarop het kiesstelsel, waarvan hij de conceptie beschrijft, ingrijpend gewijzigd dreigt te worden? Voor- en tegenstanders van die ontwikkeling kunnen, met dit boek onder handbereik, veel leren van de discussie die honderd jaar geleden, maar dan omgekeerd, over hetzelfde thema werd gevoerd. Het nooit overtroffen 'Honderd Jaren' van P.J. Oud is nog steeds verplichte literatuur voor studenten geschiedenis of politicologie. 'Actieve burgers' van Gert van Klinken moet daar onmiddellijk aan worden toegevoegd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.