Je hoeft geen nostalgische gevoelens te koesteren over het oude en inmiddels geheel verdwenen Rotterdam, om toch veel waardering voor de schilderijen van Johan Hendrik van Mastenbroek te hebben. Van Mastenbroek (1875-1945) groeide al tijdens zijn leven uit tot de belangrijkste schilder van de Maasstad en deed in werkelijk honderden schilderijen, aquarellen en een ontelbaar aantal tekeningen verslag van wat er allemaal in de havens gaande was.
Bovenal was hij geïnteresseerd in de Rotterdammers die aan het begin van de vorige eeuw vorm gaven aan de stad. Die groeide in die tijd pijlsnel uit tot de eerste handelsstad van het land. Van Mastenbroek schilderde ontegenzeglijk met een flinke dosis charme. Nu nog zorgt dat voor een grote schare liefhebbers. Zo niet de musea, die hem in het verleden wel hebben verzameld maar het nooit op een retrospectief hebben laten aankomen. De Kunsthal in Rotterdam brengt nu echter de 'stadsheld' weer terug, op een plek die niet ver van zijn geliefde havens af ligt.
Van Mastenbroek had het teken- en schildersvak niet van een vreemde. Zijn vader dreef een winkel voor schildersbenodigdheden die op een gegeven moment werd uitgebreid met wat voorlopig een kleine kunsthandel was. Vader Van Mastenbroek specialiseerde zich in eigentijdse schilderkunst, met een voorliefde voor realisten als Corot en Daubigny en van die typische salonschilders als Gérôme en Bougereau.
Toen de verkoop toenam, werden de penselen en verftubes opgedoekt ten gunste van de kunstverkoop. De jonge Hendrik, zoals hij zichzelf graag noemde, moet altijd heel nieuwsgierig zijn geweest als zijn vader weer een nieuwe zending (hij betrok zijn schilderijen van de Haagse kunsthandel Goupil, dezelfde zaak waar Vincent van Gogh korte tijd verkoper was geweest) binnenkreeg.
Het zien van zoveel moois moet hem ook hebben aangezet om als jongeman zijn eerste schetsen te gaan maken. Bekend is dat hij pas 15 jaar oud de havens in trok om in zijn schetsboekjes het leven op het water vast te leggen. Met behulp van een roeibootje kon hij dichtbij de schepen komen die hij soms in de vorm van ware portretten optekende. Hij moet rond zijn 15de, 16de levensjaar al zoveel schetsen hebben gemaakt dat hij er een leven lang gebruik van kon maken.
Eenmaal terug in het atelier -Van Mastenbroek moet tot het Hollandse impressionisme worden gerekend- werden de snel genoteerde onderwerpen in olieverf of aquarel uitgewerkt. Van Mastenbroek was voor zijn tijd een late impressionist (zeker na 1915 deden zich ingrijpende veranderingen in de moderne schilderkunst voor), maar dat betekende nog niet dat hij voor de plein air schilderkunst koos.
Bovendien werkte hij toen al veel op bestelling: een reder die zijn schip graag met een aardige haven-entourage omgeven zag, havenbaronnen die het uitzicht vanuit hun kantoor op de kades en havens wilden zien vastgelegd. Nog altijd hangen er talloze Van Mastenbroeks in en rond de Rotterdamse havens. En op het Rotterdamse stadhuis is de in omvang grootste Van Mastenbroek aller tijden opgehangen.
Een eigen stijl heeft Van Mastenbroek in zijn ongetwijfeld vruchtbare schildersbestaan niet ontwikkeld. Hij stond sterk onder invloed van de Haagse School, met name Jacob Maris was zijn grote voorbeeld. Een echte Van Mastenbroek is minder aan de stijl dan aan het onderwerp herkenbaar. Dat was typisch Rotterdams, qua duiding en mentaliteit. Rotterdam de havenstad en Rotter dam de werkmansstad, het zijn clichés die bij Van Mastenbroek in honderden schilderijen samenkomen.
Maar omdat de havens in feite anoniem zijn, gaf de schilder ze meestal wel een topografische duiding. Die kant van Rotterdam -de Willemskade, de Boompjes, de Blaak, de Leuvehaven, het Boerengat en de Steigersgracht- is sinds de Tweede Wereldoorlog als havenfunctie verdwenen.
Met die datering onderscheidde Van Mastenbroek zich dus wel van de Haagse Scholers. Die zochten immers naar het tijdloze, waren bevreesd dat de 'nieuwe tijd' definitief een einde aan hun romantische opvattingen over een onbedorven en zeker niet jachtig leven zou maken.
In de schilderijen van Van Mastenbroek rukt de moderne tijd echter al op, op een wijze die alleen te vergelijken is met de opvattingen van Breitner, die (als oud-Rotterdammer) de harteklop van de stad Amsterdam verstond. Anders dan Breitner was Van Mastenbroeks palet niet zo donkerroodbruin gekleurd. Veel meer hield hij van een grijs of blond licht dat de soms turquoisekleurige wolkenluchten kleurt.
Het verwarrende van Van Mastenbroek is wel dat hij bereid was een enkele keer buiten de havenstad te schilderen. En juist in die riviergezichten en landschappen bleek hij een melancholicus te worden.
Met zijn roem was het sinds de jaren twintig ook gedaan: Van Mastenbroek klampte zich ijverig vast aan de aan de natuur ontleende herkenning en moest van moderne zaken als fauvisme of expressionisme niets hebben.
In de jaren dertig bloeide de waardering voor zijn werk nog een keer op toen hij werd gevraagd om een documentair verslag van de aanleg en afsluiting van de Afsluitdijk te schilderen. Maar al voor zijn dood in 1945 raakte zijn werk in vergetelheid. De liefhebbers -er is zelfs sprake van een 'stammenstrijd' tussen de liefhebbers van Van Mastenbroek en die van de schepenschilder Evert Moll die in onderwerp en stijl tamelijk verwant was- houden zijn werk echter in ere.
Van Mastenbroek wordt tegenwoordig van hoog tot laag verzameld (zoals bijvoorbeeld door het koninklijk huis dat de Kunsthal aan een aantal bruiklenen hielp), zodat een groot deel van dit eerste grote overzicht uit particulier bezit komt. Bovenal moet deze presentatie gezien worden als een poging om de kwaliteit van Van Mastenbroek terug te brengen op museaal niveau.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.