recensie De schrijver Jan Cremer werd niet plotseling zuinig en preuts, toen hij meewerkte aan de uitgave van zijn brieven. Zijn kwalijke kanten worden in de verzameling eerlijk belicht. Maar veel geldgedoe had er uit gemogen.
Ik weet niet of ik dit van horen zeggen heb of dat ik zelf naar die radio-uitzending luisterde, maar het ging om een interview waarin Cremer tot slot werd gevraagd: ,,En, meneer Cremer, hebt u nog een boodschap voor de luisteraars?'' ,,Jullie kunnen allemaal de kolere krijgen.''
Het leuke van de jaren zestig was dat het Nederlandse volk daar op reageerde. Jan joeg niet alleen zijn moeder de gordijnen in, hij maakte half Nederland woedend, terwijl de andere helft met een mengsel van vertedering en jaloezie naar hem opkeek. Zijn leven leek een dollemansrit waarin vrouwen, drank, motoren en kunst alle kanten op vlogen.
Wie in dit brievenboek een neerslag zoekt van deze woeste onderneming, vindt meer informatie in de voetnoten dan in de brieven. Zo schrijft hij in maart 1957 de familie Goedhart Bakker: ,,Op school gaat het wel goed, maar ik ben eigenlijk al te ver, ik slik niet alles wat ze me voorkouwen en de baas heeft me aangeraden naar 'n vrije akademie te gaan waar geen anatomie en theoretische vakken zijn. Maar ik blijf eerste een paar jaar hier en dan zie ik wel verder.'' In de voetnoot lezen we: ,,In werkelijkheid had academiedirecteur Harry Verburg zijn onhandelbare pupil met de kerstvakantie van 1956 door de marechaussee van school laten verwijderen. Dat de dochter van de voorzitter van het schoolbestuur zwanger van hem raakte, deed de deur dicht.''
Ook in zijn vroegste brieven is Cremer meteen Cremer, dat wil zeggen een leuke dondersteen voor wiens 'geachte heer' je verrekt goed moet uitkijken. Wat vooral treft in de brieven uit zijn jonge jaren is het rotsvaste geloof in zichzelf en de bereidheid om met grote ernst en felheid te knokken voor wat hij schildert en schrijft.
Hij werkt hard en speelt natuurlijk ook hard. Op zijn éénentwintigste belandt hij al op Ibiza waar hij goed verdient met schilderen, maar nog veel beter uitgeeft. De sfeer in het artiestenwereldje is hem duidelijk ,,Biertje, borreltje, morgen daar op visite, lachen tot je bek er pijn van doet, en elkanders werk, hoe slecht ook, maar prijzen.''
Onvergetelijk is de beschrijving van de dood van zijn hond Wodka, die ongelukkigerwijs van het balkon afvalt. Nadat hij de hond begraven heeft schrijft hij aan Simon Vinkenoog. ,,Hij was zo sterk dat hij zich zelfs wel uit een aangestampte kuil zou kunnen werken. Hij is nu wel echt dood, omdat het vier dagen geleden is.'' Hij was dol op Wodka - 'de enige die me echt begreep', een onheilspellende mededeling voor mensen die hem trachtten te begrijpen. Dat ging niet altijd goed, zeker niet als het vrouwen waren. Cremer is wat je noemt een mannen-man, geen vrouwen-man. In de brieven aan Hester betuigt hij herhaaldelijk zijn spijt over het slaan en treiteren. ,,Ik heb spijt van elke ruzie en klappen die je gehad hebt.'' Dat is even slikken voor de lezer. Andermans huwelijk, zeg er maar eens iets van. Maar hij begint er zelf over. En nou we het toch over huiselijke kwesties hebben: de kinderen. Ik weet niet hoe ze terecht gekomen zijn of hoe ze zelf terugblikken, maar de manier waarop hij ze van zich afschudde, grenst aan het ongelofelijke.
Gestichtsellende is erfelijk. Je ziet het hier voor je ogen gebeuren. Twee kleintjes worden in 1966 in verschillende tehuizen ondergebracht omdat hun moeder psychiatrisch gestoord is en omdat vader in Amerika te druk is met het project Jan Cremer.
Geert Lubberhuizen schrijft hem in 1965: ,,De kinderen Jan, de kinderen.'' De twee verblijven dan bij moeder Cremer, die zelf de hartverscheurendste brieven schrijft over haar zorgen om die kleintjes. Haar Nederlands is zo ontroerend, omdat ze de taal niet helemaal machtig is. Zij probeert de kinderen uit het tehuis bij zich te krijgen en schrijft in 1966: ,,Met deze toestand kan niet zo doorgaan. Die arme stakkertjes zijn op de wereld geschopt door jullie en zijn verstooten! Inmiddels heb jullie verder lol van de leven, en denkt niet eraan, dat kinderen ook nog zooiets als liefde en tehuis noodig is!! O Jan, ik vind dit werkelijk te erg!''
Een week later schrijft hij haar dit: ,,Lieve moeder en Irma, Ben al n week op reis door Zd. Amerika. Zijn nu op safari en heb ratelslangen geschoten en 'n jonge tijger gevangen. Maakt u zich geen zorgen over mij. Alles gaat goed. Zijn diep in de jungle, lawaai van apen en beesten. Dag, ik hou van jullie.''
Een mannen-man dus, zonder de ironische zelfontleding, die Reve's brieven zo verlossend maakt. Naar Reve toe maakt Cremer een onbedoeld grappig gebaar. Het is in zijn algemeenheid niet aan te raden Rembrandt een aquarelletje te sturen, of Shakespeare een sonnet, maar Cremer meent de grootmeester van de erotiek best op wat lichamelijkheid te mogen tracteren. Dat gaat zo: ,,Wat erg lekker is met dat soort vrouwen te doen is vanachter neuken en zij geknield op handen en knieën. Als je ze dan flink ramt gaan die tieten zo lekker schudden. Heerlijk is dat.''
Ondanks zijn succes in binnen- en buitenland blijft hij vele jaren in de problemen op financieel gebied. In de periode na 1970 worden erg veel brieven tot vervelens toe gevuld met bedragen, opdrachten, verwijten, verzoeken, en vermaningen aan opdrachtgevers, galeriehouders, agenten, assistenten, kunstkopers, redacteuren en uitgevers over de hele wereld. Hij reist en schrijft met veel succes en is als beeldend kunstenaar aan een indrukwekkend oeuvre bezig, maar in de brieven begeeft hij zich zelden buiten geldzorgen.
Uit 1974 wel een kostelijke brief aan zijn zoon: ,,pas op met honing eten, want daar zitten soms nog bijen in.'' Hij KAN het immers wel, schrijven, alleen gebeurt het niet vaak in de brieven na 1970. In 1978 schrijft hij aan Reve over journalisten die hem interviewen: ,,Maar thuis, achter hun schrijfmachine in hun hok, waar de geur van zware sjek overheerst en de gewassen maandverband hangt te drogen worden zij opeens de grote jongen en ben jij De God maar een boerenlul, die met elke tik op de typemachine kleiner wordt.''
De brieven zijn prachtig uitgegeven, voorbeeldig geannoteerd en terecht in Cremers spelling gelaten. De samenstellers hadden er veel gemeier over geld uit mogen laten, maar daar staat tegenover de eerlijkheid en de moed van Jan Cremer om sommige kwesties rond zijn liefdes en zijn kinderen er wel in op te nemen. Cremer zelf over negatieve publiciteit: ,,Ik ga echter van het reclamestandpunt uit dat het beter is om slecht over je te praten dan in het geheel niet. Een uitspraak meen ik van de Ierse jurist Oscar Wilde.''
Dat is Cremer; verhaspeld, feitelijk onjuist en helemaal raak.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.