*

 

'Toch zijn er landen waar ze slechter schilderen'

Claudine A. Chavannes-Mazel − 07/05/05, 00:00

recensie Wat we tot nu toe te weten zijn gekomen over Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hans Memling en de andere vroege Vlaamse schilders is zorgvuldig op een rij gezet in 'Early Netherlandish Painting''.

De Open Universiteit was ooit gezegend met een gouden hand bij het uitgeven van begrijpelijke publicaties met een hoog wetenschappelijk gehalte. Voor de cursus 'Oudnederlandse schilderkunst', bijvoorbeeld, vatten de Groningse kunsthistorici Bernard Ridderbos en Henk van Veen tien jaar geleden op een voortreffelijke manier alles samen wat er tot dan over de Vlaamse 15de-eeuwse schilderkunst gezegd en geschreven was.

Voor de zojuist verschenen Engelse vertaling bij Amsterdam University Press deed de uiterst kritische Amerikaanse grand old lady Anne van Buren mee. Haar kennende, denk ik dat ze vele bladzijden vol commentaar heeft teruggestuurd. Het resultaat zou door iedereen met belangstelling voor de vijftiende eeuwse Bourgondisch-Nederlandse schilderkunst gelezen moeten worden.

Het boek is geen keurig overzicht van een eeuw schilderen. Daar zijn andere boeken voor, met mooie platen. Hier gaat het over hoe men sinds de vroege 19de eeuw over de 'Vlaamse Primitieven' heeft gedacht. 'Netherlandish' moet namelijk als 'Flemish' worden gelezen en niet als 'Dutch', waarbij 'Flemish' niet alleen 'Vlaams' maar ook 'Brabants' en 'Henegouws' betekent.

Vóór de 19de eeuw zag men niets in de Vlaamse primitieven, in Jan van Eyck, Rogier van der Weyden en de anderen. Dat gebrek aan waardering hangt samen met de overwaardering voor de Renaissance. Michelangelo heeft ooit bedachtzaam gezegd, dat Vlaamse schilderijen meer iets waren voor gelovigen, die bereidwillig tranen stortten: ,,Vrouwen, vooral de hele jonge en de hele oude, monniken en nonnen, en zekere edelen die geen juist gevoel voor harmonie hebben. Toch zijn er landen waar ze slechter schilderen.''

Deze uitspraak was dodelijk en bleef dat, eeuwen lang. Alleen Jan van Eyck hield misschien iets van een reputatie over. Pas toen Napoleon alle geroofde kunst in rijen boven elkaar in het Louvre liet ophangen, kon men door vergelijking milder gaan oordelen. Juist het gevoelsmatige en aanspreekbare bleken een romantische waardering op te wekken, en leidden ertoe dat de eerste grote museumdirecteuren in Berlijn, Londen en Frankfurt elkaar de loef gingen afsteken met spectaculaire aankopen uit kleine Belgische dorpjes.

Welke van de Vlamingen men het beste vond, dat wilde wel eens wisselen. Hans Memling werd in de 19de eeuw onbetwist een van de grootsten geacht - ,,Jan van Eyck schilderde met zijn ogen, Memling met zijn ziel''. Later, in de 20ste eeuw, kelderde zijn reputatie. Het duurde tot 1994 voordat kenners, naar aanleiding van een prachtige tentoonstelling, moesten toegeven dat hij eigenlijk wel heel erg mooi kon schilderen.

De eerste honderdzeventig pagina's van het boek gaan over 'Objecten en vragen'. In de 19de eeuw was men vooral geïnteresseerd in stijl en kwaliteit en in het groeperen van kunstwerken rond namen die nadien beroemd werden: Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hugo van der Goes. Veel feitelijke problemen werden over het hoofd gezien, die tegenwoordig niet meer genegeerd kunnen worden.

Nationalisme speelde een grote rol, empathie, retoriek en 'Fingerspitzengefühl' zo mogelijk een nog grotere. Eindelijk, zei men over de Vlamingen, had de mens het geheim ontdekt 'de bewegende schoonheid van de wereld te fixeren', en dat klonk overtuigend.

In feiten over context, samenwerking, opdrachtgevers was men totaal niet geïnteresseerd. Ongehinderd door enige archivale kennis werd beweerd dat Jan van Eyck een Duitser was geweest en hét grote voorbeeld voor Dürer en Holbein. Het duurde héél lang voordat werd vastgesteld dat Rogier van Brugge en Rogier van Brussel samen die ene Rogier van der Weyden waren.

Juist dit eerste deel is in de Engelse editie opnieuw bekeken en met de laatste inzichten verrijkt. Hoe zat het nu met de reconstructie van de panelen uit de niet bestaande abdij in Flémalle, waaraan de beroemde 'Meester van Flémalle' zijn noodnaam dankt? Waren er twee meesters aan het werk? We komen er alles over te weten.

Ook alle andere stukken zijn woord voor woord opnieuw getoetst en bewerkt voor ze - al even zorgvuldig - werden vertaald. Het laatste hoofdstuk over de (symbolische) betekenis van voorstellingen is opeens áf, en leert dat vorige generaties kunstbeschouwers feilloos en schijnbaar moeiteloos onder woorden konden brengen wat ze zagen. Konden wij dat vandaag nog maar.

mailIcon print |