*

 

In hun villa huist een Regierungskommissar

Wil Rouleaux − 20/03/04, 00:00

recensie Toen de in Canada woonachtige Tsjechische auteur Josef Skvorecky (1924) in 1990 terugkeerde naar zijn vaderland om er een hoge prijs in ontvangst te nemen, had hij voor president Havel een exclusief cadeau in zijn bagage: een pakket met ruim tweehonderd Tsjechische boeken die hij sinds de jaren zeventig in Toronto had uitgegeven bij de door hem opgerichte legendarische exil-uitgeverij Sixty-Eight Publishers. Skvorecky was een uitgever in hart en nieren; hij is van onschatbare waarde geweest voor de Tsjechische literatuur tijdens de communistische repressie. Daarnaast was hij ook vertaler, docent aan de universiteit van Toronto -waar hij zich specialiseerde in de Angelsaksische literatuur- en schrijver van een respectabel oeuvre. Een homme de lettres kortom, die met Milan Kundera en Bohumil Hrabal tot de grote drie van de Tsjechische literatuur wordt gerekend en wiens naam iedere herfst opduikt in het rijtje van mogelijke Nobelprijs-laureaten.

De beroemdste roman van Josef Skvorecky, 'De Lafaards', verscheen in 1958 en speelt zich af in het door de Duitsers bezette Kostelec tijdens de laatste week van de Tweede Wereldoorlog. De inwoners van het Boheemse provinciestadje, met name de notabelen, ondergaan een metamorfose van al of niet passieve collaborateurs tot rechtgeaarde patriotten en aanhangers van het Rode Leger. De jeugdige hoofdpersoon Danny, een alter-ego van de schrijver, beziet het opportunisme van zijn stadgenoten met de nodige scepsis, maar wordt toch vooral in beslag genomen door zijn puberteitsproblemen en zijn enorme passie voor jazzmuziek.

Het nu vertaalde 'De zevenarmige kandelaar', verschenen in 1964, zou men als een voortzetting van Skvorecky's meesterwerk kunnen beschouwen. Hoofdpersoon en schouwtoneel zijn niet veranderd, en opnieuw bevinden we ons in het tumult van de jaren dertig en veertig.

De oogstrelend uitgegeven roman begint op een regenachtige zondag in 1952. Rebecca Ohrenstein, een 23-jarige vrouw, vertelt haar vriend Danny het verhaal van haar jeugd.

Tijdens de oorlog werd ze op transport gesteld naar Theresienstadt, waar haar complete familie werd vermoord. Als enige keerde Rebecca in 1945 terug naar Praag, waar de ouderlijke woning in bezit bleek genomen door een onbekende familie en de ergens in bewaring gegeven familiejuwelen spoorloos waren verdwenen. Rebecca had het voor de oorlog al moeilijk -haar moeder stierf toen ze drie jaar was, haar vader bleek een grote egoïst- maar na haar terugkeer valt het leven haar extra zwaar. Angst, schuldgevoelens, eenzaamheid en zelfhaat hebben haar volledig in hun greep, tot een normaal leven lijkt ze nauwelijks meer in staat. Bovendien stuit ze ook nu nog overal op al of niet vermeend antisemitisme.

Rebecca's aangrijpende relaas wordt afgewisseld door zeven herinneringen van Danny aan zijn jeugd in het provinciale K., waar hij opgroeide als zoon van een bankdirecteur. Meestal gaat het om herinneringen aan joodse bewoners van het stadje. Dokter Strass bijvoorbeeld, die ooit het leven van de doodzieke verteller heeft gered met het nieuwe wondermiddel penicilline en die later in Theresienstadt omkwam. Hetzelfde lot viel Meester Katz ten deel, Danny's leraar Duits. Het zijn weemoedige, omfloerste portretten die Skvorecky hier door de ogen van zijn jeugdige alter-ego schetst.

Sommige verhalen van Danny zijn niet langer dan tien bladzijden, maar ze herbergen de stof voor een roman. Dat geldt bijvoorbeeld voor het schitterende 'Mifinka en Bob de killer'. Op het eerste gezicht gaat het hierin om de verschillen tussen de diverse leden van de joodse familie Löbl. Maar al snel krijgt het verhaal een heel andere wending en wordt zichtbaar wat de oorlog in het stadje teweeg heeft gebracht. De villa van één der Löbls -hij is net gestorven- wordt nu plotseling bewoond door Regierungskommissar Horst Hermann Kühl. En de jonge Mifinka Löbl probeert ijlings een huwelijk aan te gaan met een arische jongen, die ze eerder uit religieuze motieven heeft afgewezen.

Skvorecky laat veel weg en heeft soms genoeg aan een paar details om een situatie op te roepen. Af en toe is zijn toon licht-ironisch of bijna humoristisch, zoals in het fragment 'Eine kleine jazzmusik', dat over een swingband gaat die zich aan allerlei door de Duitsers opgelegde voorschriften diende te houden - en bijvoorbeeld geen gebruik mocht maken van het 'negroïde' instrument saxofoon. Alleen al voor dit verhaal, dat eveneens tragisch omslaat, is het lezen van 'De zevenarmige kandelaar' de moeite volledig waard.

mailIcon print |