*

 

Ondoorgrondelijke beproeving, zonder Freud

Jan Greven − 09/11/04, 00:00

recensie Het was maandag 25 oktober. Twee dagen voor het feest van de Nieuwe Bijbelvertaling. We zaten niet in een monumentale kerk, maar in de Amsterdamse boekhandel Scheltema. Ook rond een nieuwe bijbelvertaling. Weliswaar niet één van de hele bijbel, maar toch. Huub Oosterhuis en Alex van Heusden hadden eerder al Genesis en Exodus vertaald. Daarvan werd een herdruk gepresenteerd. Nieuw was die middag hun vertaling van het boek Numeri, dat bij hen, net als in de joodse bijbel, In de woestijn heet. Een heel andere vertaling dan de koningin twee dagen later kreeg. Zo dicht bij het Hebreeuws als qua Nederlands maar mogelijk is. Zo'n uitgangspunt levert speciale teksten op. Voorleesteksten. Daar is de vertaling dan ook bij uitstek voor bedoeld.

'Wil jij een vergelijking maken tussen onze vertaling van Genesis 22 en die van de Nieuwe Bijbelvertaling?', hadden ze me gevraagd en zo praatten we op een grijze maandagmiddag in een boekwinkel hartje Amsterdam over het offer van Isaak. Hoe zit dat toch met die voortschrijdende secularisatie?, vraag je je af op zo'n moment.

De manier waarop beide vertalingen beginnen, betekent al meteen een waterscheiding. 'En het geschiedde', staat er letterlijk in het Hebreeuws en zo vertaalt Oosterhuis het dan ook. De NBV ziet dat anders. Zo'n letterlijke vertaling klinkt wel plechtig, maar in feite gaat het om een doodgewone Hebreeuwse uitdrukking. Bovendien klinkt 'En het geschiedde' nogal ouderwets. Daarom begint de NBV met 'Enige tijd later'. Tegenover 'En het geschiedde na deze woorden dat God Abraham beproefde' krijg je in de NBV: 'Enige tijd later stelde God Abraham op de proef'. Laat deze beginzinnen even inwerken en besef: dat komt nooit meer goed.

De tegenstelling verdiept zich nog als direct daarna God Abraham roept. Abraham antwoordt: Hinneni. Letterlijk: 'Hier ben ik'. Een cruciaal begrip in de Hebreeuwse bijbel. 'Hier ben ik', zal later Samuël zeggen als God hem roept en hij tot drie maal toe vergeefs bij het bed van de oude Eli staat. De NBV vertaalt dáár, in 1 Samuël 3, wel met: 'Hier ben ik'. In Genesis 22 niet. Daar zegt Abraham: 'Ik luister'. Een antwoord dat voor Oosterhuis moet klinken als het pronto waarmee je in Italië de telefoon opneemt.

Maar net als je denkt dat iedere overeenkomst tussen Oosterhuis en NBV onmogelijk is, is die er toch. Nog niet meteen als God volgens Oosterhuis tegen Abraham zegt: 'Neem je zoon' en volgens de NBV: 'Roep je zoon'. Het Hebreeuwse werkwoord dat er staat, betekent nemen. Hetzelfde woord wordt gebruikt als Abraham het hout neemt en het vuur. Allemaal ingrediënten voor het offer, inclusief zijn zoon. Allemaal nemen.

Voor de NBV hoeft die gelijke aanpak van al dat offermateriaal niet. Roep je zoon, is natuurlijker. Maar na 'roep je zoon', volgt 'je enige' en daar gaat de NBV niet aan voorbij. 'Je zoon, je enige'. De uitdrukking komt nog twee keer terug (vers 12 en 16) en in alle gevallen stemmen Oosterhuis en de NBV overeen, letterlijk uit het Hebreeuws.

Van die overeenstemming is in vers 7 niks meer over: ,,Izaük (zelfs de naam spelt Oosterhuis anders) sprak tot Abraham, zijn vader, hij sprak: 'Mijn vader'. Hij sprak: 'Hier ben ik mijn zoon' (opnieuw hinneni)''. Bij Oosterhuis is ieder woord geladen. Dan de NBV : ,,'Vader', zei Isaak, 'Wat wil je me zeggen, mijn jongen?', antwoordde Abraham.'' Toch heel iets anders.

Nu lopen er in het verhaal twee woorden door elkaar om Izaük/Isaak aan te duiden. Het ene betekent jongen of knecht. Het tweede betekent zoon. Als dat laatste woord valt, schemert in de verte altijd het noodlottige offermes. In Genesis 22 kun je beter een beetje op afstand 'een jongen' zijn dan 'mijn zoon'. In vers 7 spreekt Abraham Isaak aan als 'zoon'. Toch vertaalt de NBV dat met 'jongen'. De NBV vindt het vertrouwelijk karakter van de dialoog tussen Abraham en Isaak belangrijker dan een letterlijke vertaling. Daarmee maakt ze de relatie tussen Abraham en Isaak herkenbaarder, hedendaagser. Er is intimiteit.

Toch houdt ook Oosterhuis het één op één Hebreeuws/Nederlands vertalen niet altijd vol. Als Abraham op het hoogtepunt van het verhaal een ram ziet die met zijn horens in de struiken verstrikt is, staat er letterlijk: 'Abraham nam het lam'. Vanuit het Hebreeuws is dat logisch. Het is hetzelfde werkwoord als uit het begin. Met als lijdend voorwerp eerst de zoon, nu de ram. Toch vertaalt Oosterhuis: 'Abraham ging, greep die ram'. Daar zit weliswaar meer dramatiek in, maar het staat er zo niet. Wat Oosterhuis bij uitzondering doet, doet de NBV onbekommerd. Alleen Je zoon, je enige blijft letterlijk en intact. Natuurlijk vanwege de dramatische lading.

Is dat erg? Dat ligt er maar aan welk belang je hecht aan het Hebreeuws als taal. Wat in het Hebreeuws een normale volgorde is, is dat in het Nederlands niet. Laat je die volgorde staan, dan krijgt het Nederlands iets gedragens, Is dat juist als er in het Hebreeuws van zo'n gedragenheid geen sprake is? Dat is niet alleen een taalkundige vraag. Door zijn wijze van vertalen is Abraham bij Oosterhuis de gelovige aartsvader wiens geloof door God beproefd wordt. Ook de NBV spreekt van beproeving, maar vertaalt het gesprek tussen Abraham en Isaak onderweg naar de offerplek zo, dat er sprake is van intimiteit. De belichting valt daardoor ook, en misschien zelfs meer, op het offer als het verraad van de intimiteit tussen vader en zoon dan op het offer als proef voor Abraham die moet kiezen tussen God en zijn enig kind. Het raadsel van de beproeving blijft in beide gevallen even ondoorgrondelijk. Maar de beproeving ziet er anders uit. Bij de NBV is zij eigentijdser, invoelbaarder geworden. In de verte schemert al iets van Freud. Vertalen is niet neutraal.

mailIcon print |