*

 

Schatzoeken op de slagvelden - Drie Vlaamse kinderen en de 'grote' oorlog

Peter de Boer − 18/12/04, 00:00

recensie De Belgische Sylvia Vanden Heede is een getalenteerde, zij het nogal ongelijk werk afleverende kinderboekenschrijfster. Zij schrijft goede en soms ook heel matige boeken, intussen alweer ruim dertig in getal. Ze ontving onder meer drie Boekenwelpen, een Zilveren Griffel (2002) en een heel tuiltje lauweren voor dat ene boek dat in 1998, ook in Nederland, haar doorbraak betekende: 'Vos en Haas'. Dit door Thé Tjong Khing schitterend geïllustreerde boek met dierenverhalen werd meermaals bekroond. Mooi dus.

Jammer dat ze daarna nog een stuk of zes andere Vos en Haas-boeken heeft geschreven. Ze heeft haar eigen succesformule uitgemolken en daar werden deze boeken in doorsnee helaas niet beter van. Opvallend in haar oeuvre zijn verder titels als 'Zo wil ik bidden God' en 'Wie Jezus was', al is dat voor een schrijfster die godsdienstwetenschappen heeft gestudeerd ook weer niet zo gek. Wat ik zeggen wil: haar werk is thematisch en kwalitatief tamelijk uiteenlopend.

'Donderkop', haar nieuwste boek, geschikt voor kinderen vanaf een jaar of tien, springt er opeens weer erg positief uit, bescheiden (zeven plaatjes slechts) edoch in een prachtig dreigend grijs geïllustreerd door Jan De Maesschalck. Het boek speelt zo'n jaar of acht na de Eerste Wereldoorlog in een dorpje in de Vlaamse Westhoek, waar tijdens de oorlog hard is gevochten in de loopgraven. Eén van de hoofdpersonen, Jules, de oudere broer van de ik-vertelster Zoë, schetst het desolate decor tien jaar na dato als: ,,Ze zitten allemaal hier in de grond. Duizenden. [...] Heel het dorp is één kerkhof, dat zegt de meester ook.''

De titel wekt onmiddellijk een dreigende lading op: een op uitbarsten staand onweer. En inderdaad, het slot van het boek geeft een verwoestend onweer ten beste. 'Donderkop' is echter ook de bijnaam van één van de vier hoofdpersonages van dit boek. Donderkop -eigenlijk noemen Jules en diens vriend Willy hem steeds 'Donkerkop', maar Zoë verstaat het consequent als Donderkop - is de zoon van de door de kinderen als heksachtig ervaren dorpbewoonster Vivie. In hun bijgeloof zijn Zoë, Jules en Willy ervan overtuigd dat in de oorlog Vivies eigen kind door de bohemers (in Noord-Nederland zeggen we zigeuners) is verruild voor de zwartogige, zwartharige boheemse baby Donderkop. Dit bijgeloof werkt het hele boek door en Jules maakt zijn zusje wijs dat de 'bohemer' Donderkop op kattenvoetjes loopt en met gitzwarte kattenoogjes tot in het diepst van je ziel en gedachten kan kijken.

Als Jules en Zoë een bezoek aan Vivie brengen om een jong katje uit het nest van haar kat op te halen, en Vivie hun bij die gelegenheid wat chocolade geeft, breekt bij Zoë het inzicht door. Terwijl Jules en Willie de chocola later weggooien, dat is toch maar spul waarmee de heks hen wil vergiftigen, beseft Zoë in stilte: ,,Ja, zeker waren we vergiftigd. Maar niet door chocola, niet door Vivie. Het gif zat in de verhalen die we zelf hadden bedacht.''

Ik vind het knap hoe Vanden Heede die gruwel van de Eerste Wereldoorlog in haar verhaal heeft geweven: op een volstrekt subtiele manier, zonder effectbejag. Heel zijdelings brengt ze even het loopgraventoerisme aan de orde, en het afschuimen van de oude slagvelden op zoek naar koperen granaathulzen en andere waar die op de naoorlogse markt geld oplevert. Gevaarlijk, want het barst op die oude slagvelden van de blindgangers, munitie die niet is ontploft maar dat jaren later, als je het ter hand neemt, nog wel degelijk kan doen! Er gebeuren bij die zoektochten dan ook herhaaldelijk ongelukken, ook dodelijke. Zoë hierover: ,,Raar eigenlijk dat iemand kon sterven door een schot dat voor mijn geboorte was afgevuurd. Ik dacht dan altijd aan de soldaat voor wie de kogel bestemd was geweest. In mijn verbeelding liep die vrolijk fluitend rond in een ver en lieflijk dorp, onwetend van het vreselijke lot waaraan hij was ontkomen, zodat het een ander treffen kon.''

Het verhaal spitst zich toe op de zogenaamde schat van een Duitse baron, die met zijn uitzending naar Vlaanderen in de Eerste Wereldoorlog al zijn goud en zilver in zijn zadeltas meegenomen zou hebben. De baron sneuvelt en in de plaatselijke Vlaamse legende waart hij rusteloos rond op de plek van zijn sneven. Waar is die schat? vragen de dorpelingen zich af. Zoë, Jules en Willy geloven heilig in het bestaan ervan. Daarnaast suggereert Donderkop, die natuurlijk niet als kind verwisseld is maar gewoon het product van een relatie tussen Vivie en een zoeavensoldaat (Turkse achtergrond, in dienst van de Franse artillerie), dat hij ook een grote schat heeft ontdekt.

Dat is echter niet de schat (goud en zilver) die Zoë voor ogen staat. Donderkop is in wezen de normaalste en kinderlijkste van het stel en heeft een reeks geheime onderaardse gangen ontdekt die ooit door de Engelsen gegraven zijn. Hij neemt het Vlaamse drietal ermee naar toe, op een avond dat de donder al aan de horizon tekeergaat, en toont trots zijn onderaardse gangen met munitiekisten, 'obussen, shrapnels, achttienponders [...] muntjes en messen, lepels en een vork, regimentstekens, insignes, een medaille'. Dat is nou eens een schat voor een jonge jongen! En in deze context accepteert hij ook het feit dat zijn vader is vermist, 'een verdwenen soldaat is'.

In euforie kruipt hij weer naar boven, de gewone wereld in, en maakt daar met een Duitse pinhelm op zijn hoofd een vrolijk dansje. Wat niet goed afloopt, want hij wordt, wat wil je met zo'n pinhelm op je hoofd, door de bliksem getroffen...

Hoe het verder met hem afloopt, laat ik onbesproken. Er staan een paar cursieve passages in het boek waarin een veel oudere Zoë, bejaard inmiddels, het geheel van commentaar voorziet. Haar slotconclusie is: zwijgen. Gelukkig heeft de schrijfster Vanden Heede zich daar niet aan gehouden en een heel afgewogen boek geschreven over oorlog, bijgeloof, jeugdromantiek, geweld en verwerking van geweld door kinderen. Zij is niet altijd subtiel, maar in dit boek overtreft zij zichzelf. Intrigerend.

mailIcon print |