*

 

Hersenspinsels van een narcist

Rob Schouten − 18/12/04, 00:00

recensie Alle proza van Russell Artus (1969) heeft een ontkennende, weigerachtige bijsmaak. 'Kijk maar: Zonder wijzers' (zijn debuut), 'Een onbeschreven dag', 'Onpersoonlijkheid' en dan nu 'Een zweem van onvolmaaktheid'. Ongetwijfeld bevat dit opmerkelijke rijtje 'on'titels een strekking, bijvoorbeeld: de wereld is niet ondubbelzinnig.

Ook het leven van Pascal in 'Een zweem van onvolmaaktheid' is verre van helder en paradijselijk. Hij heeft wel een moeder en een grootvader, maar geen vader. Hij is een moederskindje en daarbij een buitenbeentje vol kinderangsten. Zijn vrouwelijke verschijning maakt dat hij op school gepest wordt, als student kan hij zich er maar moeizaam toe zetten om aan de verplichte drank en vrouwen te gaan. Hij is kortom een kneus.

Zijn relatie met andere mensen is steeds gefrustreerd en geblokkeerd: zijn opa mag 'm niet, de band met zijn moeder is ongezond innig, zijn buurmeisje Nicole blijft een schim uit het verleden, zijn beste vriend Theo bedriegt hem. Er hangt over zijn leven een schimmig waas van onduidelijke ambities, broeierige geheimen. Zo suggereert hij zelf allerlei incestueuze verhoudingen in zijn familie: dat zijn grootvader zijn moeder heeft misbruikt, dat zijn moeder een kind van hem, Pascal, wil; maar het blijft allemaal in zijn hoofd zitten, een kluwen dat niemand ontrafelt.

Het best voelt Pascal zich nog wel als deejay op feestjes en partijen maar ook daar treft zijn vermogen om dingen in elkaar over te laten vloeien; tussen de popmuziek door draait hij ongebruikelijke klassieke en etno-muziek. Hij is kortom voortdurend 'vatbaar voor wijziging in de textuur van het bestaan', zoals het ergens heet.

Artus wil ons geen duidelijk karakter laten zien maar het tegendeel daarvan: een ziel in voortdurende weifeling. ,,Misschien was het daarom dat hij zich niet interesseerde voor alles waar anderen voor warmliepen. Niet omdat hij, zoals hij altijd verondersteld had, de betrokkenheid miste, eerder omdat hij niet betrokken wilde raken. Het zou hem verder afbrengen van het verwerkelijken van zijn oerverlangen, of toch op z'n minst het risico daarop vergroten.''

Door zo'n wazige hoofdpersoon met een broeierige familiegeschiedenis en voornamelijk geestelijke preoccupaties, zet Artus zich duidelijk af tegen het jolige praat- en pretproza van veel van zijn generatiegenoten. Zijn werk sluit aan bij dat van bijvoorbeeld Oek de Jong en AFTh, (van wie hij zelfs de notie 'leven in de breedte' overneemt). Niet straatrumoer staat op zijn spijskaart maar de persoonlijke en innerlijke preoccupaties van gevoelige mensen.

Gelukkig heeft Artus voor zoveel getormenteerde, zwoegerige hersenspinsels, een ernstige, treffende stijl in huis: ,,Wat hij romanpersonages verweet, bleek zijn eigen gebrek: het creƫren van een cocon waarin hij zelfgemaakte regels stelde, opdat hij zichzelf buiten het echte leven kon plaatsen.'' In zijn hart is Pascal een kindgebleven narcist, een jongetje dat denkt dat zijn moeder een facelift ondergaat om hem te versieren. Freud zou wel raad geweten hebben met het ventje, maar aan zulke heldere analyses waagt de schrijver zich niet. Liever beschrijft hij het schemergebied tussen inzicht en instinct en brengt al doende keer op keer de kwellende nachtmerries van het menselijk bestaan in beeld. Ondoorzichtig maar begoochelend.

mailIcon print |