recensie Het Concertgebouworkest klonk donderdag weer op zijn koninklijkst. Onder dirigent Ed Spanjaard bracht het onder andere de wereldpremière van 'Unisono' van Robin de Raaff en kreeg Concertgebouworkest-trombonist Jörgen van Rijen de prestigieuze Nederlandse Muziek Prijs uitgereikt door staatssecretaris van cultuur Medy van der Laan.
Van Rijen speelde bij zijn prijs geen show-off repertoire, maar koos voor het verfijnde 'SOLO' van Luciano Berio. Daarin ontvouwde hij het werk met een ongelofelijke muzikaliteit, versmolt hij vaak mooi met het orkest en liet hij horen dat hij je alle kwaliteiten van een toon onder je oren door kon laten rollen. Zijn sympathieke dankwoord (onder andere 'aan het hele Nederlandse muziekleven') werd aandoenlijk door zijn onuitputtelijkheid en tijdsduur. Maar wat zou dat, het was tenslotte feest.
Een feest voor het oor was het voor het Concertgebouworkest gecomponeerde 'Unisono'. Daarin leek De Raaff in werkwijze terug te grijpen op het strijkkwartet 'Athomus' uit 1993: de complimenten van Pierre Boulez betekenden destijds een doorbraak voor de jonge componist. Net zoals in 'Athomus' gaat De Raaff in 'Unisono' uit van de enkele toon, een atoom dat een kettingreactie veroorzaakt van contrapuntische en ritmische bewegelijkheid. Na die expansie krimpt het stuk beurtelings naar de rust van het begin om vervolgens weer uit elkaar te spatten en te krimpen.
De reden waarom De Raaff zo'n organische opbouw als in 'Athomus' nooit meer herhaalde, lag in het gevaar van een 'richting-loze vanzelfsprekendheid', zoals hij zelf ooit zei. Na 1993 begonnen zijn stukken dus allemaal als statement, met signaalachtige openingen waarin het universum van het stuk al in strenge getalstructuren lag samengebald.
Je zou kunnen stellen dat De Raaff die getalsverhoudingen met 'Unisono' in zijn gestel heeft zitten. En dat hem dat vrijmaakt om diep tot zijn eigen kern door te dringen. De symmetrie in instrumentatie (het opvallendst door de twee ratelende slagwerkers in de orkestflanken) en in de op- en afbouw van de ritmische cellen waren onmiskenbaar De Raaff, maar de verfijnde lyriek en het associatieve kleuronderzoek (wat schrijft De Raaff prachtig voor hout en koper) klonken als een nieuwe richting in zijn componeren.
Vitaal waren de trombone-glijers boven de strijkers. En tussen het grommende lage koper en het ratelende slagwerk kreeg de eerste viool een elegische, uitgesponnen zanglijn. 'Unisono' kent orkestmelodieën die als gestolde gebaren rond een enkele toon klonteren, terwijl later in het stuk de signalen hardnekkig de overhand krijgen, om dan terug te keren naar het atoom uit het begin: dit keer gescandeerd door de trombones. Koninklijk en vooral zinnelijk klonk het orkest onder Spanjaard in 'La Mer' van Debussy, dat in het slotakkoord verrukkelijk uit elkaar spatte.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.