recensie Sinds Auschwitz getuigt het onder filosofen van slechte smaak het kwaad te duiden. Daarmee banaliseer je het. Susan Neiman is het hier niet mee eens en voert Hegel en Kant als getuigen op.
Zou u uw leven nog eens over willen doen, met daarin dezelfde hoeveelheid goed en kwaad? Die vraag is vaker gesteld. Onder filosofen lopen de antwoorden uiteen. Leibniz, een achttiende-eeuwse filosoof, dacht dat er niet veel mensen zouden zijn die dat niet zouden willen. Hij zag dat als bewijs dat er in de wereld meer goed dan kwaad is. In zijn 'Theodicee' (1710) stelde Leibniz dat de goede God geen betere wereld had kunnen maken dan deze. Daarmee was hij niet blind voor alle tekortkomingen, maar daarvoor voerde hij allerlei redenen aan ter rechtvaardiging van God.
Het vertrouwen in zo'n welwillende God werd ernstig geschokt door de aardbeving die Lissabon in 1755 trof en aan ten minste 15000 mensen het leven kostte. Voltaire schreef ergens dat Lissabon een schop was onder het achterste van de Voorzienigheid. Volgens Schopenhauer was het de enige verdienste van Leibniz' 'Theodicee' dat deze aanleiding was voor Voltaire om er in zijn onvergetelijke en uiterst vermakelijke 'Candide' de vloer mee aan te vegen.
Schopenhauer zou zulke onversneden optimisten wel eens mee willen nemen langs de ziekenhuizen en martelkamers, de slagvelden en de schavotten van deze wereld. Want waar anders dan in deze wereld heeft Dante de stof opgedaan voor zijn beschrijving van de hel? Leibniz telde onze zegeningen; Schopenhauer grossierde in zwartgalligheden. Niemand die bij zijn volle verstand was zou er volgens hem voor kiezen om de keten van ellende die hij had meegemaakt nog eens over te doen.
Is het Angelsaksische ironie om zich op oudere leeftijd te omschrijven als older, wiser and sadder? Dat geldt in zekere zin wel voor de tegenwoordige filosofie die, terugkijkend, zich niet meer wil vermoeien met de grote vragen des levens waar Leibniz nog warm voor kon lopen en Schopenhauer het benauwd van kreeg. Het vergt een zekere durf om de vraag naar het kwaad opnieuw aan de orde te willen stellen.
Susan Neiman, Amerikaans filosofe, maakt echter duidelijk dat die vraag zich niet laat verdringen: ,,Als we elke poging om het kwaad te begrijpen opgeven, dan beroven we onszelf zowel in het denken als in de praktijk van elke grond om het te bestrijden.'' En het kwaad begrijpen en bestrijden, betekent dat we mogen hopen op een betere wereld.
Neiman verbindt dat met politieke vooruitgang. Zij verdeelt denkers over het kwaad in hen die dat kwaad een plaats geven in een hogere wereldorde en hen die zeggen dat het kwaad geen transcendente betekenis of rechtvaardiging heeft.
Leibniz hoort overduidelijk bij die eerste groep, evenals zij die, zoals Hegel en ook Neiman zelf, geloven in een wereld die niet alleen ouder, maar ook wijzer en beter wordt.
Voltaire en Schopenhauer daarentegen meenden dat je het kwaad moet zien zoals het is, zonder het te willen rechtvaardigen door het op te nemen in een goddelijke orde (Leibniz) of in de toenemende redelijkheid op aarde (Hegel).
Neimans bespreking van het kwaad loopt van Lissabon en Leibniz naar Auschwitz en Hannah Arendt. Voor 1755 zag men nog geen werkelijk onderscheid tussen natuurlijk en moreel kwaad: aardbevingen waren een instrument in handen van de goddelijke Voorzienigheid waarmee Hij het kwaad strafte en morele ordening bracht.
Na 1945 had men het kwaad inmiddels teruggebracht tot menselijke dimensies. Daarmee was het kwaad niet minder problematisch geworden: moet je het kwaad van de concentratiekampen proberen te begrijpen? Maar dan banaliseer je het onbenoembare; dan maak je van het kwaad in het kwadraat een bureaucratische alledaagsheid: zorgen dat de treinen op tijd rijden. Of moet je de uniciteit en onbenoembaarheid van Auschwitz onderkennen en daarmee het kwaad het kwaad laten? Auschwitz begrijpelijk willen maken betekent dat we het kwaad opnemen in onze wereldorde en er in zekere zin in berusten; Auschwitz niet willen verklaren is evenmin bevredigend.
Neiman blijft vastberaden: De mens is niet slechts rationeel en redelijk, erkent zij. Maar ,,wanneer de eisen van de rede (in het willen begrijpen van het kwaad - MdB) te bescheiden zijn, capituleert ze voor de werkelijkheid voordat de strijd goed en wel is begonnen''.
Neiman verwijst naar de Duitse denker Kant, die stelde dat als je weet dat God bestaat het niet meer moeilijk is om het goede te doen, al is het maar uit berekening.
De Voorzienigheid was volgens hem zo verstandig geweest enige twijfel omtrent Zijn eigen bestaan in de mens te plaatsen zodat het meer moeite zou kosten om het goede te doen; dat maakt moreel handelen pas mogelijk.
Omdat het niet vanzelfsprekend is dat wij leven in een goede wereld, kunnen we daarop hopen. En die hoop deelt Neiman. Is dat naïef? Of juist inspirerend? Of tekent zich haar afkomst: Amerikanen zijn zulke onverbeterlijke wereldverbeteraars? De lezer mag het zeggen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.