recensie Meester Beekmans geeft Nederlandse les in schakelklassen, aan buitenlandse kinderen die nog geen Nederlands kennen. Eerst is het aftasten, en dan: ,,Het is half november en ik voel dat de aanvankelijk wat te gemakkelijk lachende klas VS1 waarlijk een gelukkige klas is geworden, want ikzelf ben gelukkig als ik deze klas lesgeef, en dat is een goede graadmeter.''
Het is een simpele en hartver overende opmerking, en op de koop toe een verwijzing naar die ándere meester, Theo Thijssen, die literatuur maakte van zijn leven voor een klas met 'schoffies' - in 'Kees de Jongen', 'Schoolland', 'De gelukkige klas'.
De bundel korte stukken van Beekmans (eerder in NRC Handelsblad en De Groene Amsterdammer verschenen) laat zich literair niet vergelijken met Thijssens romans - maar dat hoeft ook niet. Beekmans en Thijssen delen minstens één grondsentiment: een tot ver in het gebied van de liefde overlopende nieuwsgierigheid naar kinderen. Alleen mengt Beekmans daar naast zonlicht ook zwarte tonen in, die bij Thijssen driekwart eeuw eerder nog grotendeels ontbraken: wanhoop en medelijden en soms ook afkeer. Die rauwe eerlijkheid maakt Beekmans' verslag uit een zwarte school des te belangrijker.
Over een half-Antilliaans, half-Hollands meisje, dat haar klasgenoten helemaal gek maakt, schrijft hij: ,,En het beangstigt me, het gemak waarmee ik me kan voorstellen, me ook voorstel, dat straks een horde getergde kinderen Judith in een verlaten hoek van ons onoverzichtelijke schoolplein doodtrapt.'' Dit citaat -het zwartste uit het boek- besluit een serie stukjes over Judith, die volkomen duidelijk maakt waaróm hij bang is.
Ooit besloot Kees Beekmans dat de journalistiek te saai voor hem was. Hij koos de schakelklassen, en inmiddels is hij directeur van een praktijkschool, een school voor kinderen die op het vmbo niet terechtkunnen.
Maar hij is al die tijd columns blijven schrijven. Gelukkig maar, want tussen de opinieleiders en praatjesmakers die zich er tegenaan bemoeien is Beekmans praktisch de enige die iedere dag, door dik en dun de vinger aan de pols van de 'zwarte' jeugd heeft, en ziet hoe deze 'assistent-vakkenvullers'-in-wording (betiteling van de conrector, hahahaha) zich door het leven slaan.
Daar is Youssef die nooit huiswerk maakt, omdat hij zes dagen per week 's ochtends vroeg kranten bezorgt en 's avonds pizza's - met zijn inkomsten onderhoudt deze tiener zonder verblijfstitel een rits broers en zussen in Marokko. Hij is slim genoeg om toch zijn havo te halen.
Daar is de half-Thaise jongen die niet weet of zijn Nederlandse vader naar de ouderavond kan komen: ,,Als hij niet dronken is, hij komt wel, zei Prasit.''
En daar is Shaouad, in een walm van hasj al van het rechte pad geraakt, maar voor Beekmans nog even een bron van vreugde: Als Beekmans zich steeds chagrijniger voor de lastpakken in het zweet werkt en dan even naar Shaoud kijkt, 'rechts van mij, dichtbij', dan ,,kijk ik recht in zijn ogen en zie die glinstering, die glimlach -niet gemeen, alles licht en vrolijk- en dan laaf ik mij aan de rust en wijsheid die van de jongen afstralen.'' Het is die Beekmans-blik die van een stapel columns zo'n ontzettend goed boek maakt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.