*

 

U staat pal onder een torenhoge stuwdam

Wybren Verstegen − 29/01/05, 00:00

recensie Waarom kiezen de mensen er niet voor de ineenstorting van hun beschaving te voorkomen, vroeg de Amerikaanse bioloog en historicus Jared Diamond zich af. En hij schreef een boek over ecologische zelfdestructie, in heden en verleden. Zo overdonderend goed als Diamonds eerdere werk 'Guns, Germs and Steel' ('Zwaarden, paarden en ziektekiemen') uit 1997 is 'Collapse' niet. Maar de nuchtere toon waarop Jared Diamond uitlegt dat we wereldwijd toch echt bezig zijn met een 'collapse' is verfrissend.

Dwars door het regenwoud van Papoea-Nieuw Guinea loopt een weg. Op de weg kunnen twee vrachtwagens elkaar net passeren. De weg is aangelegd door de oliemaatschappij Chevron. De weg is smal genoeg om de fauna in het regenwoud niet af te schrikken: ze durven over te steken. Er wordt bovendien niet op ze gejaagd. Voor de bioloog en vogelaar Jared Diamond is deze weg een uitkomst. Hij kan er vogels die normaal gesproken verscholen blijven tussen de bomen, in hun vlucht waarnemen.

Op het eiland Salawati voor de kust van het Indonesische deel van Nieuw-Guinea loopt ook zo'n weg. Hier is het oerwoud over een breedte van vele tientallen meters ruwweg gesloopt. Voor de fauna is dit niemandsland een onoverkomelijke barrière, alleen al omdat stropers al het gedierte dat zich op de strook waagt afknallen. Ook deze weg is aangelegd door een oliemaatschappij: de Indonesische onderneming Pertamina.

Chevron is in alle opzichten een betere beheerder van het milieu dan Pertamina, aldus Diamond. Chevron fakkelt bijvoorbeeld het gas dat vrijkomt bij de olieboringen niet af. De werknemers van Chevron worden strikt gecontroleerd op het bezit van wapens. Jagen is verboden. En de pijpleidingen lekken niet of nauwelijks.

Toch is Chevron net als Pertamina een commerciële onderneming die winst moet maken. Als de oliemaatschappij te veel geld kwijt is aan milieubeleid, wordt zij daarop afgerekend.

Maar Chevron is aan het rekenen geslagen: een slechte reputatie ten gevolge van een olieramp betekent onrust bij de consumenten en dure rechtszaken. Een verpest milieu betekent dat de regering van Papoea-Nieuw-Guinea de oliemaatschappij in de toekomst geen concessies meer zal verlenen.

Dat maakt het verschil want Pertamina heeft daar geen last van. De Indonesische consument heeft geen interesse voor het milieu, net zomin als de regering in Jakarta, dat haar deel van Nieuw-Guinea als koloniaal wingewest behandelt. Het autoritaire Indonesische bewind heeft dus een veel slechtere staat van dienst dan het democratische Papoea-Nieuw-Guinea.

Maar niet ieder autoritair re gime is slecht voor het milieu. De auteur van de bestseller 'Zwaarden, paarden en ziektekiemen' ('Guns, Germs and Steel', gerecenseerd in Trouw op 14 oktober 2000) laat zien hoe gunstig de milieubewuste politiek van de 20ste-eeuwse autoritaire bestuurders Trijillo en Balaguer op de Dominicaanse Republiek uitwerkte, los van de vraag hoe men tegen hun regime aankijkt.

De andere helft van het eiland Hispaniola, Haïti, verwerd onder de zo mogelijk nog autoritairdere Papa en Baby Doc tot een brok Sahel, neergesmeten in de Caribische Zee.

Democratie is voor het milieu ook niet altijd een zegen. Aan de schade door mijnbouw en landbouw in het kwetsbare milieu in Australië is zo lang geen aandacht besteed, dat dit continent volgens Diamond als eerste westers land op de nominatie economisch te verarmen door ecologische nood. Australië begint te lijken op een soort Haïti van de geindustrialiseerde, ontwikkelde wereld, om het even overdreven voor te stellen.

De ene bedrijfstak is de andere niet. Voor oliemaatschappijen is het veel gemakkelijker 'schoon' te werken dan voor mijnbouwondernemingen, die -nu de rijkere ertslagen overal zijn uitgeput- relatief steeds meer grond moeten verplaatsen om dezelfde hoeveelheid metaal te winnen.

Duurzame bosbouw daarentegen, zegt Diamond, is wel degelijk te realiseren, net zoals duurzame visvangst. Het gebeurt alleen nog veel te weinig, omdat het voor consumenten niet gemakkelijk is te doorgronden hoe duurzaam bepaalde ondernemingen werken.

Er zijn bedrijven genoeg die met pseudo-groene 'labelling' het ethische ondernemerschap ondermijnen. Het ook in Nederland bekende FSC-certificaat voor duurzaam hout wordt dwarsgezeten door quasi-groene organisaties als het Amerikaanse 'Sustainable Forest Initiative' en de 'Pan-European Forest Council' die het bestond om zonder slag of stoot de bosbouw in geheel Oostenrijk in één klap geheel 'gecertificeerd' te verklaren.

Het zijn voorbeelden die ook bekend zijn uit het klimaatdebat, waarin door de industrie gesteunde instellingen met welluidende namen als het 'Science and Environment Policy Project' of tijdschriften als 'Energy and Environment' een tegenwicht pogen te bieden aan het naar hun smaak te 'groene' IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change).

Het belangrijkste probleem, meent de schrijver, is uiteindelijk het politieke probleem: de onwil iets te doen om de degeneratie van het milieu te stoppen.

Diamond illustreert dat met het voorbeeld van een stuwdam. Wie honderden kilometers stroomafwaarts van een stuwdam woont, maakt zich niet veel zorgen over een doorbraak. Hoe dichter iemand bij de dam woont, des te meer zorgen maakt hij zich.

Tot je aan de voet van de dam komt. Wie echt pal onder de dam woont en iedere dag de massa gewapend beton hoog boven zich ziet uitrijzen, is niet meer zo bezig met dat risico. Het risico wordt verdrongen.

De vraag dringt zich op of er in de Nederlandse milieupolitiek iets vergelijkbaars aan de hand is. Nu de klimaatverandering écht begint te bijten, nu Venetië dreigt te verdrinken, gletsjers steeds sneller smelten en de kans op natte voeten in Nederland steeds groter wordt, geeft de Nederlander niet thuis. Naarmate de problemen groter worden, schuiven we psychologisch steeds dichter naar de dam toe.

Dat dit stuwdam-denken zelfs in Nederland opgeld doet, heeft Diamond niet voorzien. In dit boek, en ook in de Groeneveldlezing die hij op 8 juni 2004 in Baarn hield, portretteert hij de Nederlanders juist als hét voorbeeld van een milieubewust volk.

Dat veronderstelde Nederlandse milieubesef verklaarde hij met de metafoor van de polder: iedereen in de polder, rijk en arm, heeft er belang bij dat de dijken onderhouden worden en de pompen blijven werken. De wereld is eigenlijk één grote polder, zegt Diamond, maar zo gedragen de aardbewoners zich niet.

Wat je krijgt als de poldermentaliteit geheel ontbreekt, laat Dia mond zien aan de hand van het voorbeeld van Montana in het noordwesten van de Verenigde Staten, een staat die beroemd is om zijn natuurschoon. Mijn- en bosbouwondernemingen hebben het land verpest en niemand is bereid de kosten te dragen voor het herstel.

De landbouw in Montana wordt te gronde gericht door de onbedoelde introductie van een onkruid, dat ervoor zorgt dat de oogst aan veevoergewassen met negentig procent is gereduceerd. De herbiciden die ingezet worden om dat onkruid te verdelgen, verpesten de rivieren.

Door gebrek aan werk trekken jongeren uit Montana weg. De staat vergrijst. De 'pioniersmentaliteit' in de politiek maakt alles erger: het ingebakken individualisme en de afkeer van de overheid weerhouden de mensen ervan met een politieke ingreep akkoord te gaan.

Amerikanen hebben grote moeite hun land te zien als een 'polder'. En de 'collapse', in Montana en elders in de VS, wordt aan het oog onttrokken door een grote, rijke economie. De helft van het inkomen van Montane komt van buitenaf. Als Montana een eiland was geweest, schrijft Diamond, was Montana al lang en breed opgegeven.

Dit is een belangrijk verschil tussen het verre verleden van de mensheid en de meer recente geschiedenis. De oudere voorbeelden in zijn boek betreffen geïsoleerde gebieden die geen hulp van buitenaf konden verwachten.

Bovendien ontbrak het oude beschavingen aan de kennis om rampen te kunnen voorzien. Dat is nu niet meer zo. Iedereen die er mee te maken heeft, weet drommels goed waar het in milieukwesties over gaat.

Die constatering maakt Diamonds oudere geschiedverhalen daarom minder relevant. Naar mijn smaak had de helft van het 550 pagina's tellende boek alleen al om die reden geschrapt kunnen worden. Temeer daar de door hem gekozen voorbeelden héél erg uitgekauwd zijn.

Wie heeft er, na de bestseller van Clive Ponting ('Een groene geschiedenis van de wereld', 1989), na alle documentaires van Discovery, nog behoefte aan wéér een uiteenzetting over de ontbossing op Paaseiland, over de viking-nederzetting op Groenland in de Kleine IJstijd, of over de Maya's en de droogte?

Diamond leidt uit al die vroegere en hedendaagse voorbeelden af dat de minst stabiele landen in de wereld ook de landen zijn met de ernstigste milieu- en bevolkingsproblemen (met name Afghanistan, Bangladesh, Burundi, Haïti, Indonesië, Irak, Madagaskar, Nepal, Pakistan, de Filippijnen, Rwanda en Somalië). Maar die stelling wordt niet toegelicht, en dat is een zwak punt.

Nog eigenaardiger is het dat hij van die tien landen, die dus het dichtst aan de rand van een 'collapse' staan, alleen Haïti en Rwanda bespreekt - gelukkig op voorbeeldige wijze, dat wel.

De systematiek is trouwens in het boek sowieso ver te zoeken. Het is een bonte verzameling voorbeelden zonder samenhang; een dik, lui, onevenwichtig, in elkaar geflanst boek eigenlijk.

Maar dat laat onverlet dat het één van de weinige sombere milieuboeken is die niet geplaagd worden door algemeenheden 'dat het zo niet langer kan' en andere moraliserende domi nees praat. 'Collapse' gaat over de politieke realiteit van de ecologische ineenstorting, zoals die in veel regio's zichtbaar wordt.

Prettig is ook dat Diamond de rol van het bedrijfsleven meer realistisch dan ideologisch beoordeelt - hij wordt erom verketterd door sommige milieuorganisaties, zijn hoge positie bij het WNF ten spijt.

Te hopen valt daarom dat het boek van Diamond, ondanks de tekortkomingen, de politici onder aan de dam, of Hollandser gezegd: de dijk, ertoe brengt hun post-Fortuynse politieke kortademigheid ('the 90-days focus' noemt Diamond dat) te overwinnen en milieuproblemen weer serieus te nemen.

mailIcon print |