*

 

Een lekker pennetje maakt nog geen literatuur

Door: redactie − 01/07/06, 00:00

recensie Het beste Nederlandse debuut van het voorjaar – ’Boven is het stil’ van Gerbrand Bakker – is hier twee weken geleden besproken. Hoe zit het met zijn mededebutanten? Zes sprongen eruit. Althans, hun eerstelingen verleidden tot dóórlezen.

Toegegeven, bij Emmanuel Lipp (1966) maakten vooral zijn antecendenten nieuwsgierig. De auteur zit in Vlaanderen een straf uit voor moord; zijn detentietijd gebruikt hij om te schrijven. Onder schuilnaam – dat spreekt. Of deze biografische gegevens kloppen? Geen idee. Doet het er toe? Nee. Het gaat per slot om het autonome kunstwerk.

’Chinchilla song’ is in elk geval verrassend vaardig geschreven. De roman behandelt de zielenroerselen van Michael, enige zoon van een excentriek paar dat woont in een klein Vlaams dorp. Hij vereert zijn vader mateloos, tobt met zijn moeder, zijn seksuele identiteit. De betrekkingen tussen de personages zijn zonder uitzondering broeierig, met veel suggestie van incest en verraad. Langzaam begrijpt de lezer dat er een gruwelijke moord is gepleegd. De precieze toedracht blijft tot vlak voor het einde duister.

Het is ongetwijfeld Lipps bedoeling dat wij begrijpen hoe een mens ertoe komt een ander mens uit de weg te ruimen. Dat lukt maar ten dele. Ergens rond het tiende hoofdstuk ontspoort de roman in kitsch. Het telkens herhaalde ’kun je nagaan’ gaat ineens enorm tegenstaan, net als de vele loodzware mijmeringen over vrijheid en gevangenschap.

Ook Christiaan Weijts (1976) houdt zich in ’Art. 285b’ bezig met misdaad. Van onschuldiger aard, dat wel. Pianist Sebastiaan krijgt een aanklacht aan de broek vanwege stalking, ingediend door een vrouw uit een peepshow voor wie hij een hartstochtelijke liefde opvat. Tegelijkertijd onderhoudt hij intiem contact met een schattige, welopgevoede vijftienjarige. Kiezen kan hij niet.

De vrouw als hoer óf madonna, ach ja. Het is een dichotomie met oude papieren. Ook het thema van de verfijnde intellectueel die als een blok valt voor de rauwe prostituee komt nogal bekend voor. Weet

Weijts daar bovenuit te wieken?

Hij heeft een vlotte, enigszins barokke stijl – daarover geen kwaad woord. Evenmin over zijn poging een roman te schrijven vol hedendaags straatrumoer en moderne seks. Toch is ’Art. 285b’ een hele zit. De vele muzikale metaforen (’Toch was er een dissonant in hun liefde geslopen’) zijn te dik aangezet, de vele reisbeschrijvingen (’Misschien is dit het uur dat Venetië op z’n mooist is’) te platvloers. En de debutant, bekende valkuil, onderschat zijn lezers: „Geen enkele vrouw was tot nu toe in staat geweest beide kanten van zijn persoon gelijkelijk te begrijpen en te bevredigen, en het voelde als ontoelaatbaar verraad om zich vast aan een van beiden te verbinden.” Let wel, dit staat op pagina 203. Alsof wij dat niet tegen die tijd niet allang door hebben.

Een liefdevolle uitgevershand had deze pretentieuze roman met honderd bladzijden bekort. Nu zit er een mooi debuut in verscholen.

Christiaan Weijts verdient zijn boterham als journalist, net als Marcel van Roosmalen (1968). Die was een tijdlang redacteur bij HP/De Tijd, waar hij opviel door een bewonderenswaardig eigen toon. In zijn romandebuut ’Wij weten heus wel hoe laat het is’ stort Maarten zich in het alternatieve Nijmeegse studentenleven van de jaren tachtig. Daar ontdekt hij dat hij dichter is. Het vertrouwde repertoire ontvouwt zich: veel blowen, goedkope huiswijn, bloemen plukken in Bretagne, gore kraakpanden, ongelukkige seks.

Gek genoeg slaat het ironische toontje dat Van Roosmalens reguliere werk zo aardig maakt, hier volkomen plat. Nergens wordt zijn roman meer dan het zoveelste dunne verhaal over een zoekende twintiger. Een goeie journalist is niet per se een goeie schrijver. Een lekker pennetje maakt nog geen literatuur.

Ook journalist Frans van Deijl (1957) waagt zich met het drieluik ’Oorlogshonger’ aan de fictie. In het openingsverhaal graven twee jongetjes naar de botten van een Duitse soldaat. In het titelverhaal lucht een middelbare Vietnam-veteraan zijn hart bij de psychiater. En ten slotte probeert een hoogbejaarde ’nepveteraan’ het jaarlijkse defilé in Nijmegen bij te wonen. Mannen, lijkt Van Deijl te willen zeggen, zijn collectief gefascineerd door oorlog en geweld. In alle stadia van hun leven.

De verhalen zijn uitstekend geschreven, maar alleen het laatste ontstijgt de sfeer van het betere jongensboek. In vijfendertig pagina’s een pijnlijk personage als die nepveteraan zo overtuigend neerzetten – dat is knap. Van Deijl moest het hier maar niet bij laten.

Een typisch product uit de autobiografische school is ’Oesters of merguez’ van Omar B. Ook deze auteur wil anoniem blijven. Hij vreest volgens zijn Vlaamse uitgever ’slachtoffer te worden van intolerante fanatici voor wie het thema van het boek taboe is’. De roman beschrijft de wederwaardigheden van naamgenoot Omar, homo uit Marokko. Hij moet nu eenmaal niets hebben van ’oesters’: zijn verloving met de wellustige Latifa loopt uit op een drama. Een pittige worstje daarentegen kan hij moeilijk weerstaan.

In zijn soort is de roman niet onverdienstelijk. Het inkijkje in Omars tragische dubbelleven is spectaculair genoeg en houdt de aandacht gemakkelijk vast.

Interessant is intussen hoe de allochtonenliteratuur haar eigen clichés heeft gebaard. Daar is weer de taalles vol komische misverstanden, de opschepperige oom die in Europa door de mand valt, de onbeschoftheid van de autochtonen. Omar krijgt een dreun van een discotheekportier. „Ze moesten ze allemaal in een beestentrein stoppen’’, hoort hij een omstander zeggen. „En terugsturen naar de brousse.”

Leven tussen twee culturen is eveneens het dankbare thema in ’Een verhaal uit de stad Damsko’. Hassan Bahara (1978) – hij won eerder de El Hizrja literatuurprijs – gunt de lezer een blik in de leefwereld van Marokkaanse jongeren te Amsterdam. De roman draagt een oer-Hollands motto: ’Jongens waren we – maar aardige jongens’. Nescio’s Titaantjes worden uiteindelijk ’veel wijzer, stakkerig wijs’. En die van Bahara?

Drugs, bimbo’s, hangen in McDonald’s, conflicten met fokking leraren en met ontwortelde ouders – het zijn zo’n beetje de ingrediënten. Veel geweld ook, ruzie om doekoe, en héél veel sms’en. Het wordt op den duur behoorlijk eentonig – ondanks de snelle dialogen in straattaal. Dat vindt hoofdpersoon Kader trouwens ook; hij is de enige in zijn omgeving die zich realiseert hoe flinterdun dit bestaan is. Dat besef biedt hem, treurig genoeg, geen soelaas. De lezer evenmin. Elma Drayer

mailIcon print |