*

 

Er staat gewoon wat er staat

Peter de Boer − 02/09/06, 00:00

recensie Er is niets tegen toegankelijke poëzie, maar ook zulke poëzie moet je aan het denken zetten. Dat lukt Marijke Hanegraaf niet altijd. Met haar beeldspraak weet ze af en toe wel te verrassen.

Men stelle zich voor: een baby op sterk water, geëtiketteerd als ’Preparaat 115’, haar huid ’een jasje half uitgetrokken’, zodat ze ogenschijnlijk voor eeuwig tot op haar ingewanden te kijk staat voor de blikken der bezoekers. Met een portret van dit binnen glas vrij zwevende stilleven begint Marijke Hanegraaf haar tweede dichtbundel ’Proefsteen’. Zoals zij het schetst heeft het niets macabers, maar treft het juist door de volmaakte concreetheid: ,,[] Ze lijkt zo af / en zo gewoon haar vlees gebleven // is altijd hier / is wat ik zie: / een bedachtzaam meisje.’’

Let op het woord ’gewoon’ of een zinnetje als ’[zij] is wat ik zie’. Zij zijn typerend voor deze dichteres, die zweert bij eenvoud en helderheid: er staat ’gewoon’ wat er staat. Complicerende dubbele bodems ontbreken.

Die hang naar eenvoud heeft Hanegraaf, die pas op haar 25ste als dichteres debuteerde, waarschijnlijk overgehouden aan haar jarenlange medewerking aan het jeugdblad Taptoe, waarvoor zij artikelen schreef. Zij ziet wat ze ziet en zo schrijft ze het ook op. Op haar goede momenten is haar kijk op de dingen bijzonder, zoals de verrassende slotregel hierboven – ’een bedachtzaam meisje’ – bewijst.

Dood en aftakeling zijn prominent aanwezig. Er komen nogal wat bejaarde dementerende vrouwen in de gedichten voor. De een zit ’aan de tafel de dag overeind te houden’. Van een ander, die ook nog door afasie getroffen is, wordt de tragiek in één fraai giftige regel samengebald: ’Nu vunst door de kamer de stilte’. Deze meer existentiële gedichten behoren tot de betere van de bundel.

Helaas waaieren de observaties gaandeweg over de meest uiteenlopende onderwerpen uit. Mengelwerk, kortom. Een gedicht over treinen die niet op tijd rijden, een fantasie over goede wijn uit eigen land die eindigt met een bittere ’tweeeurodronk’ van de supermarkt, of een nogal idolate impressie van stoere stratenmakers in de blakerende zon. In deze van-alles-wat- gedichten vallen opeens ook Hanegraafs zwakheden op. Wijdlopigheid vooral, haar neiging ook de dingen twee keer te zeggen, wat bij deze toch al uiterst toegankelijke poëzie snel irriteert. Haar woordspeligheid is soms aardig, soms flauw; haar beeldspraak, over het algemeen een van haar sterke punten, kent enkele bedenkelijke, vergezochte ontsporingen.

Ik heb niets tegen toegankelijke poëzie, al zijn er die daar anders over denken. Maar ook in dergelijke poëzie moet er iets verschuiven, je aan het denken zetten, verbazen. Als de dichteres de jongste uit een groot gezin tegenover zijn broers en zussen typeert als: ,,[hij] zit vast aan hun leeftijd / voert zijn leven lang een niet te winnen strijd // tegen het dekentje / waarin ze hem blijven wikkelen’’, is er van dat verschuiven en frapperen geen sprake. Inderdaad, hier staat wat er staat, en wat er staat wisten we al. En dat een religieuze ervaring ’grenst aan het onbegrijpelijke’ is een cliché dat terecht een cliché wordt genoemd.

Wonderlijk hoe het goede hier zo consequent wordt afgewisseld met het ronduit zwakke.

Sterk is wel weer het gedicht ’Vertrek’ (zie kader), waarin een peuter voor het eerst haar vertrouwde straat (‘de Proefsteen’) verlaat, gegidst door een op geurvlaggen koersende kat. Er gaat een wereld voor het meisje open, dat daardoor onontkoombaar verandert: ’ze rekt haar genen’! Een prachtig keerpunt, benadrukt door de overgang van de verleden naar de tegenwoordige tijd. Het beminnelijke en fundamentele gaan hier samen, ook in de slotstrofe, die de kat in een paar streken naar zijn aard en instinct schetst. De slotregel - ’Hij likt de stenen’ – roept het begin van de tocht (de Proefsteen) weer terug en is een gelikt einde in de goede zin des woords. Zulke proefstenen had ik graag meer gezien.

Voortaan zal Peter de Boer wekelijks berichten over nieuwe poëzie-uitgaven.

mailIcon print |