recensie Ian Buruma, ruim dertig jaar geleden vertrokken uit Nederland, keert terug en probeert te achterhalen wat er gebeurd is in zijn vroegere vaderland, dat twee schokkende moorden in een kleine drie jaar heeft beleefd.
Toen Ian Buruma als 24-jarige in de winter van 1975 uit Nederland vertrok, was zijn geboorteland bijna een idylle. ,,Men kon de handen dichtknijpen dat men leefde in het heerlijkste, meest vrije, beschaafde, volmaakte multiculti paradijs van het westelijk halfrond.’’ Al waren er een paar dagen voor zijn emigratie ’enige krassen’ in dat mooie beeld gekomen: in Drenthe hadden Molukkers een trein gekaapt en in Amsterdam-Zuid het Indonesisch consulaat bezet.
Sinds dat jaar is de sinoloog en essayist regelmatig terug geweest. Na de moord op Theo van Gogh eind 2004 streek hij in opdracht van een Amerikaans tijdschrift langere tijd in Nederland neer om te onderzoeken wat er in vredesnaam toch aan de hand was. Ruim twee jaar eerder was Pim Fortuyn vermoord – twee politieke moorden in zo’n korte tijd, hoe was dat te verklaren?
Buruma sprak met politici, intellectuelen, schrijvers, columnisten, zowel van allochtone als van autochtone afkomst, met Ayaan Hirsi Ali en met de vrienden van Theo van Gogh. De weerslag daarvan vormt dit boek, dat in het Engels ’Murder in Amsterdam’ heet, en in het Nederlands – waarin het deze week is verschenen – ’Dood van een gezonde roker’.
Buruma zoekt in het begin naar een parallel tussen de moorden. Er zijn zeker overeenkomsten tussen de slachtoffers: zowel Fortuyn als Van Gogh was excentriek en schopte tegen heilige huisjes aan – Pim met zijn barokke stijl en nichterigheid, Theo was in zijn geschriften een provocateur. Beiden keerden zich tegen de islam. Van Gogh heeft dat met de dood moeten bekopen, de moord op Fortuyn had een andere reden. Diens moordenaar is een Nederlander, Mohammed B. heeft ook de Marokkaanse nationaliteit.
In het verloop van het boek legt Buruma steeds meer het accent op de moord op Van Gogh. Zelf komt hij uit hetzelfde milieu als de cineast, ’de sociale chic’ uit Den Haag en Wassenaar: ,,De sfeer waarin hij was opgegroeid was me vertrouwd.’’ Net als Fortuyn vond Van Gogh dat er geen taboes waren: ,,De eis van totale eerlijkheid, de gedachte dat tact een vorm van hypocrisie is en dat alles, ongeacht hoe gevoelig het is, in alle openheid en zonder enige beperking gezegd moet kunnen worden, die verheffing van lompheid tot een soort moreel ideaal, dat gecultiveerde gebrek aan fijngevoeligheid is iets dat we in het Nederlandse gedrag wel vaker tegenkomen.’’ De schrijver ziet meer typisch Nederlandse trekjes in de filmmaker: ,,Theo van Gogh noemde zichzelf een dorpsgek. (...) Toch wilde hij tegelijkertijd serieus genomen worden. Die dubbelzinnigheid is een veel voorkomende kwaal in de intellectuele discussie in Nederland.’’
De filmmaker was vanaf de eerste ontmoeting onder de indruk van Ayaan Hirsi Ali. Buruma is kritisch over haar. Met haar ’hooghartige’ optreden heeft zij alleen de elite bereikt, en niet de allochtonen voor wie zij zei op te komen. ,,Zij heeft iets van een Nederlandse notabele die niet zou misstaan op een schilderij van Frans Hals, afgezien dan van haar huidskleur en geslacht.’’
Mohammed B. is een extremist en een warrig denker, schrijft Buruma. ,,Maar doodsverlangen in naam van een hoger doel, een god of een grote leider, is iets wat verwarde en rancuneuze jongemannen door de eeuwen altijd aangesproken heeft. Het is beslist niet uniek voor de islam.’’ Het is het stokpaardje van Buruma: je mag de islam niet overal de schuld van geven. In het denken van Mohammed B. zit volgens de schrijver ,,een sterke onderstroom van Europees antiliberalisme, vermengd met Nederlands moralisme en islamitische revolutionaire hartstocht’’.
Het boek staat bol van de verrassende typeringen en waarnemingen, het trekt opmerkelijke lijnen naar episoden uit de vaderlandse geschiedenis en het is vlot geschreven. Maar er staan ook een paar rare fouten in die een relatieve buitenstaander als Buruma misschien niet zijn te verwijten, maar die een eindredacteur er toch had moeten uithalen. Zo is Pim Fortuyn niet een paar minuten voor halfzes vermoord, maar een paar minuten over zes. En de zesdaagse oorlog is toch echt van 1967, en niet van 1973.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.