recensie Natuurlijk, de Noormannen waren wrede en brute plunderaars. Maar in ’Verhalen uit
In de 8ste en 9de eeuw werden grote delen van Europa geteisterd door plunderende Vikingen. Met hun superieure, lichte schepen staken zij vanuit Scandinavië van wal om tot in Rusland en Amerika handel te drijven en, als er niets meer te verhandelen viel, te plunderen en te moorden.
De Vikingen of Noormannen, zoals ze ook wel genoemd worden, koloniseerden grote delen van het huidige Groot-Brittannië en Ierland, evenals IJsland, Groenland en ten slotte Amerika – voordat Columbus Amerika ontdekte in 1492, waren de Noormannen er omstreeks 1000 al geweest. Aan het begin van de 11de eeuw komt er een tamelijk abrupt einde aan de rooftochten; waarschijnlijk omdat de Scandinavische volken dan tot het christendom bekeerd worden.
Uit tal van ooggetuigenverslagen weten we hoezeer de Vikingen gevreesd en verafschuwd werden. Zelf lieten zij echter zo goed als geen geschriften na. De IJslandse saga’s, populaire verhalen die keer op keer doorverteld en ook op schrift gesteld werden, zijn een van de weinige bronnen die we hebben waarin de Vikingen niet als wrede plunderaars worden neergezet, maar als stoere helden. Maar de saga’s zijn in de eerste plaats literatuur, en als historische bron niet zonder meer betrouwbaar.
’Verhalen uit de Vikingtijd’ bundelt acht van deze verhalen, en geeft daarmee een goede indruk van wat de IJslandse saga te bieden heeft: historische informatie, vermengd met tal van fantastische elementen en sprookjesmotieven.
De meeste saga’s beginnen met een uitgebreide opsomming van de voorouders van de held. Deze genealogische informatie is niet echt spannend, maar namen als Thord de Bruller en Thorfin de Schedelkliever spreken tot de verbeelding en geven de lezer al een voorproefje van wat hem te wachten staat. Wanneer het verhaal eenmaal op gang is, hoeft de lezer zich geen moment meer te vervelen. Het tempo ligt hoog; alleen over belangwekkende gebeurtenissen wordt verteld, terwijl hele seizoenen worden samengevat in zinnetjes als ’Die winter hielden ze zich rustig’. De vertellingen doen daardoor in weinig denken aan modern proza; eerder aan een toneelstuk of een moderne actiefilm.
Neem Od met de Pijlen. Een onverschrokken Viking, een Scandinavische Rambo, die niets liever doet dan op verkenningstocht gaan en de meest beruchte tegenstanders, meestal andere Vikingen, uitdagen tot een gevecht. Hij draagt een hemd dat hem op magische wijze beschermt, terwijl de pijlen uit zijn naam altijd doel treffen. Het aantal tegenstanders dat hij verslaat wordt hoe langer hoe ongeloofwaardiger, maar dat geeft niet. Od is een onversneden held, die nadat hij weer een heel stel Vikingen heeft neergeknuppeld, natuurlijk niet gewond is, maar ’alleen een beetje moe’.
Ook zijn metgezellen, dikwijls iets minder gelukkig in de strijd, tonen karakter en dichten zelfs dodelijk gewond nog prachtige verzen: ,,Zestien wonden heb ik, mijn pantser is blik, / Alles is zwart voor mijn ogen, niets zie ik. / Angantyrs zwaard in gif gehard / Trof met de punt mij in ’t hart.’’
Die afwisseling van proza en verzen is kenmerkend voor de saga. De verzen vatten het voorafgaande nog eens bondig samen, of leggen de nadruk op een bepaalde gebeurtenis. Wanneer Od na een lang leven ten slotte zelf op sterven ligt en opdracht heeft gegeven voor het vervaardigen van zijn doodskist, dicht hij zijn levensverhaal in zeventig (!) strofen.
Wat naast de niet-aflatende knokpartijen opvalt, zijn de vele reizen die de Vikingen in deze verhalen maken en de exotische bestemmingen die ze daarbij aandoen. De saga van Eirik de Rode laat zien dat de Vikingen echte ontdekkingsreizigers waren. Eirik wordt gedreven door nieuwsgierigheid en ontdekt Groenland: ,,Hij noemde het Groenland, want hij zei dat men eerder ertoe zou worden aangetrokken als het land een mooie naam had.’’
In dezelfde saga vaart Thorfin de Stoute uit om Wijnland te zoeken. Hij ontdekt onderweg allerlei eilanden en landstreken, die hij direct een naam geeft: ,,Er lag een eiland in het zuidoosten waar ze een beer ontdekten en ze noemden het eiland Beereiland en het land dat bebost was noemden ze Bosland.’’
Uiteindelijk gaan Thorfin en zijn mannen voor anker bij een prachtig, vruchtbaar land. Ze leven van vruchten, wilde tarwe en wild. Na een paar weken krijgen ze bezoek van vreemde wezens in boten gemaakt van huiden: ,,Ze waren klein van stuk, hadden griezelige gelaatstrekken en hun haar zat in klitten; hun ogen waren groot en hun kaken breed.’’ De Vikingen hebben Amerika ontdekt. Ze noemen de inwoners natuurlijk geen Indianen, maar ’Rimpelmensen’, en drijven eerst handel met hen: de stoffen die ze bij zich hebben, ruilen ze voor dierenvellen. Wanneer er niets meer te ruilen valt, breekt een gevecht los en de Vikingen kunnen zich maar ternauwernood in veiligheid brengen. Wanneer tot hen doordringt dat ze zwaar in de minderheid zijn, besluiten ze zo snel mogelijk weer te vertrekken.
In 1961 werd op Newfoundland in L’Anse aux Meadows de Noorse nederzetting ontdekt die in deze saga beschreven wordt: het ultieme bewijs dat de IJslanders inderdaad als eersten Noord-Amerika hebben ontdekt. Dat de saga historische feiten en fantasie naar hartenlust vermengt, blijkt wel wanneer Thorfin en zijn mannen nog geen bladzijde later tegemoet worden gesprongen door een eenbenig wezen. Dat maakt deze saga’s zo verrukkelijk om te lezen: de mengeling van heldendaden, romantiek en exotische wezens verrast telkens weer.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.