*

 

Cruijff was een engel, geland in Betondorp

Door: redactie − 10/06/06, 00:00

recensie Lange tijd had je proza en voetbalproza. Het één had weinig met het ander van doen. Tot Nico Scheepmaker over Johan Cruijff begon te schrijven.

Na het verschijnen van ’De Avonden’ zou de Nederlandse literatuur nooit meer hetzelfde zijn. Zo vol gekte en mededogen was er nog door niemand over welk onderwerp dan ook geschreven.

Dat een schrijver nog ’gewoon’ een verhaal zou vertellen, leek sindsdien onvoorstelbaar, behalve dan in het lichte genre; in sportboeken bijvoorbeeld. Dáár heersten nog optimisme en melodrama. Sport – en voetbal in het bijzonder –- was feest, een vrijplaats. Sport was voor ongecompliceerd heldendom. Tot er in 1972 een sportboek verscheen dat, hoe verschillend in vele opzichten van het werk van de volksschrijver ook, gerust reviaans genoemd mag worden. Het boek heette ’Cruijff, Hendrikus Johannes, Fenomeen’ en het was geschreven door de dichter, voetbalidioot, Ajax-fan en minzame misantroop Nico Scheepmaker. Zijn boek zou het aanzien van de sportschrijverij grondig veranderen. Schrijven als de allerindividueelste ontplooiing van de allerindividueelste expressie, het kon – ook als het over voetbal ging.

Waaraan dankt het boek zijn status van standaardwerk in de Johan Cruijff-kunde en in de sportliteratuur, of enger gedefinieerd: de voetballiteratuur in het algemeen? Allereerst hieraan: Scheepmaker had het lef om te vergeten dat hij voetbalverslaggever was. Hij wilde niet zomaar Cruijffs levensverhaal optikken, evenmin wilde hij zijn hoofdfiguur dag in dag uit volgen en daarvan verslag doen. Geen biografie en geen reportage dus, maar wat dan wel? Scheepmakers eigen uitleg verheldert de zaak enigzins. Hij wilde zijn ’reflecties op allerlei aspecten van de voetbalmens Johan Cruijff’ opschrijven, in ’zo’n soort boek dat je zonder Van Dale nauwelijks begrijpen kunt’. Het ging niet om Cruijff, het ging om Cruijff én Scheepmaker, om wat de schrijver dacht, associeerde en doormaakte als hij ’Jopie uit De Meer’ zag op tv of in het stadion. Scheepmaker was tenslotte niet van de straat, en als eerste in Nederland doorzag hij dat Cruijff dat eigenlijk ook niet was. Hij was veeleer een engel, toevallig geland in Betondorp. En van zijn geestelijke ervaringen met die engel doet Scheepmaker verslag – driehonderdtien bladzijden lang.

Het resultaat is een boek dat de lezer in ademnood achterlaat, van verbazing en verrukking. ,,Als u het mij vraagt waren het andere tijden’’, merkt Scheepmaker op,nadat hij heeft beschreven hoe voetballers er rond 1900 uitzagen: met kuitbroeken aan, ’zoals je die jagers nog wel ziet dragen’, en met ’de wonderlijkste hoofddeksels op’: ’padvinderspetjes’, ’baretten’, ’een muts met een pluim’, ’een soort conducteurspet’. En juist als je denkt, wat heeft dat nou met Cruijff te maken, schrijft Scheepmaker dat ’Cruijffie’ zijn hemelse snelheid op het veld wel moest aanpassen aan het tempo van Piet Keizer en Sjakie Swart, die altijd ,,eerst nog even hun petje moesten oprapen, dat zij in het strijdgewoel hadden verloren’. Flauwekul dus, maar vernuftige en functionele flauwekul, die Scheepmaker telkens weer inzet op zijn punt te bewijzen: Cruijff was van een bovenmenselijke categorie, de anderen mochten op een of andere wijze aan de aarde gebonden zijn, Cruijff ontsteeg deze.

Zelfs in de kwestie Cruijff-Keizer, onder intellectuelen in de jaren zeventig een heus debat, weet Scheepmaker zijn geloof in de jongen uit Betondorp te behouden. Keizer ,,mocht eigenlijk de betere zijn, maar Cruijff was de beste’’, want in dat woordje ’eigenlijk’, legt hij uit, zat alle twijfel verstopt die het voetbalminnend intellect had over de virtuose linksbuiten. Aan Cruijff daarentegen viel niet te twijfelen.

En zo danst Scheepmaker pagina’s lang om ’Jopie’ heen: lyrisch, omdat het spel van Cruijff dat nu eenmaal afdwingt, en narrig, omdat te veel bobo-achtige stervelingen en voetballende ambtenaren, die zo uit ’De Avonden’ zouden kunnen zijn weggelopen, zijn held in de weg zitten.

Cruijff zelf heeft het boek pas op latere leeftijd gelezen, want als jonge, geldbeluste prof wilde hij er niets van weten, licht Scheepmaker zelf op pagina 259 toe. Wat Johan er later van vond: ,,Vroeger was dus eh ja, ik dus alleen maar commercieel denkend, dat is er al jaren af, en hij was dus enkel maar acommercieel denkend, en meestal met de jaren verzwakt het ene, verzwakt het andere, en dan kom je veel beter bij elkaar terecht. (...) Ik eh ben het dus eigenlijk, zo is het denk ik met alles, erg gaan waarderen naarmate ik ouder werd.’’

mailIcon print |