*

 

Als je pijn hebt, weet je wat écht is

Ger Groot − 10/06/06, 00:00

recensie ’Talk talk’ van de Amerikaanse schrijver T.C. Boyle is een echte road novel. Maar dan een, die achteloos urgente filosofische vragen oproept, schrijft Ger Groot. Is er in ons digitale tijdperk nog verschil tussen echt en onecht? En waarom worden we zo woedend, als iemand onze naam, en dus identiteit, aanneemt?

Wanneer Dana Halter op weg naar haar werk een verkeersteken negeert, wordt ze aangehouden door een politieagent, die haar subiet in een cel stopt, op beschuldiging van oplichting en valsheid in geschrifte. Het is het begin van een nachtmerrie die haar leven grondig zal ontwrichten. Tevergeefs probeert ze uit te leggen dat zij die delicten nooit gepleegd kan hebben. Maar Dana Halter is doof, de wereld van de horenden is de hare niet; op de vragen die haar gesteld worden, geeft ze rare antwoorden en haar toon klinkt vlak. Niemand neemt haar verdediging serieus.

Met die vliegende start opent ’Talk talk’, de nieuwste roman van de Amerikaanse schrijver T.C. (Coraghessan) Boyle, om niet meer tot rust te komen voordat Dana en haar vriend Bridger de Verenigde Staten van west naar oost hebben doorkruist, voortgedreven door de jacht op de man die Dana haar identiteit heeft ontroofd. En die onder haar naam schulden heeft gemaakt waarvoor zíj moet opdraaien.

Plotseling heeft Dana geen macht meer over haar publieke ’zelf’. Wat dat betekent, ervaart ze aan den lijve in de paar dagen die ze in de gevangenis opgesloten blijft. Onmachtig pratend tegen bewakers, tolken en advocaten die haar maar niet lijken te wíllen begrijpen, verliest ze binnen korte tijd vrijwel ieder gevoel van zelfbesef en eigenwaarde. Wurgend beschrijft Boyle het juridische horrorlabyrint waarin ze verzeild is geraakt, totdat Bridger haar bevrijdt en ze haar strijdbaarheid terugvindt.

Omdat het politieapparaat nauwelijks genegen blijkt om de valse Dana op te sporen, komt het geheel op Dana en Bridger aan om de bedrieger te betrappen. Dwars door de Verenigde Staten jagen zij de man na die even makkelijk van identiteit wisselt als van een paar schoenen en die ten slotte ook Bridgers naam zal aannemen. Zo ontwikkelt ’Talk Talk’ zich tot een ademloze road novel waarin Boyle bijna achteloos filosofische vragen doet rijzen. Wat is ’identiteit’ en vooral: wat betekent het die te verliezen? Wat is het verschil tussen echt en namaak? En welke rol speelt de taal daarin: het ideale vehikel waarmee wij ons diepste ’zelf’ in de wereld tot uitdrukking hopen te brengen?

Als dat laatste waar is, dan heeft Dana het, als dove die zelfs haar eigen stem niet hoort, extra moeilijk. Vaak voelt ze zich in haar eigen innerlijk opgesloten, bijna als het beroemde wolvenkind dat in de 18de eeuw in de Franse bossen gevonden werd en over wie ze een boek aan het schrijven is. Met Bridger, die de gebarentaal der doven heeft geleerd, voelt ze zich vertrouwder, maar zelfs hun vorm van expressie blijft moeizaam en staat werkelijke communicatie in de weg. Net als de tong is de gebarende hand een tralievenster, waaraan de innerlijke spraak vergeefs probeert te rammelen.

’Talk Talk’ is op het eerste gezicht oog vooral een spannend kat-en-muisspel tussen een kameleontisch patsertje dat leeft door zich de identiteit van anderen aan te meten en twee mensen die nauwelijks nog weten wie zij zijn en wat er in hun naam gebeurt. Maar in één moeite door laat Boyle ook zien hoe kwetsbaar ons ’zelf’ geworden is in een tijdperk van elektronische informatiesystemen, digitale handtekeningen en een onoverzichtelijk geworden cyberwereld.

Even effectief als Boyle het vraagstuk van naam en identiteit oproept, introduceert hij het thema van de digitale schijn. Bridger werkt in een bedrijfje dat filmbeelden bewerkt om de meest oogverblindende special effects te verkrijgen. Wanneer Dana hem aan het begin van het boek belt vanuit het politiebureau, is hij juist bezig het hoofd van een stand-in te vervangen door dat van een van de acteurs van de film, die op het doek de meest halsbrekende toeren lijkt te kunnen uithalen. Natuurlijk werden dergelijke trucs ook al vóór de tijd van de computer toegepast. De legendarische tv-serie ’Floris’ maakte naast Rutger Hauer ook het stuntteam van Hammie de Beukelaer in Nederland beroemd. In de gedaante van de hoofdrolspelers was het bij acrobatische toeren en gevechtsscènes steevast in beeld: onder een andere naam, maar opvallend genoeg voor enige tijdelijke faam.

En ook persoonsverwisselingen zijn van alle tijden. Beroemd is het verhaal van de 16de-eeuwse Franse boer Martin Guerre, die huis en haard verliet en pas jaren later terugkwam. Maar was de teruggekomene wel werkelijk de echte Martin Guerre, zo vroeg de Amerikaanse historica Natalie Zemon Davis zich al af in haar boek ’De terugkeer van Martin Guerre’. Ten slotte bleek dat ook daaraan bedrog te pas gekomen was – stilzwijgend geaccepteerd door de dorpelingen, die half en half op de hoogte waren. Zelfs voor zijn eigen vrouw was een onechte Martin Guerre verkieslijker dan een echte maar afwezige. In de 16de eeuw waren de identificatiemiddelen beperkter dan vandaag. Maar ook nu blijkt de vaststelling van een correcte identiteit moeilijker dan we gewoonlijk denken. In ’Talk Talk’ verzucht een machteloze medewerkster van Slachtofferhulp dat fraude nog alleen maar te voorkomen is wanneer bij ieder mens een identificatiechip zou worden ingeplant, zoals bij honden en katten. ’En zoals in 1984’, voegt Bridger eraan toe.

De totalitaire consequenties van zo’n alomvattende controle zijn maar een deel van het probleem. Bij voorbaat valt immers de wedloop al te voorspellen tussen steeds vernuftiger chips en de steeds verfijndere namaak daarvan. En ironisch genoeg is het precies Bridger die met zijn werk model staat voor die perfectionering van de simulatie. In vergelijking met het stuntwerk van Hammie de Beukelaer is zijn digitale bewerking van het filmbeeld oneindig veel subtieler – en dus moeilijker van ’echt’ te onderscheiden. Wat de techniek aan identificatiemogelijkheden geeft, neemt ze met de andere hand onmiddellijk weer terug.

Er zit dus niets anders op dan te blijven schipperen met een identificatie die altijd gebrekkig blijft – en dus vatbaar voor bedrog en oplichting. De hachelijkheid daarvan ervaren Dana en Bridger aan den lijve, vooral wanneer de man op wie zij jacht maken zich ook Bridgers identiteit toe-eigent. Echtheid blijft een voorwerp van verlangen dat nooit helemaal wordt bereikt en aan de randen altijd aangevreten wordt door de namaak. Dat blijft niet tot de persoonlijke identiteit beperkt. Zelfs op hun lange reizen door het Amerikaanse landschap kan Bridger zich er niet van weerhouden de weergaloze vergezichten en zonsondergangen te vergelijken met wat hij op zijn werk dagelijks op het beeldscherm ziet. En ook Dana ziet, wanneer ze onderweg opkijkt van het beeldscherm, een zon boven zich schijnen die ’wel van was’ lijkt. ,,Metafoor, alles is een metafoor’’, denkt zij – en daarin wordt het postmoderne bewustzijn hoorbaar van een tijd waarin werkelijkheid, namaak en vervalsing gaandeweg dreigen op te gaan in één grote reality show .

Pas wanneer de werkelijkheid pijn gaat doen, ontdekken we dat er een werkelijkheid is die zich niet tot manipuleerbare beelden laat reduceren. Dan stoten we op iets echts dat het diepste graniet van ons bestaan vormt. Die ontdekking doen Dana en Bridger wanneer een vreemde hen hun diepste zelf ontrooft: hun naam en hun bestaan. Ook in hun kalme, Californische leven breekt dan een emotie door die zich niet stuiten laat: de woede en de haat die zij voelen jegens de valse ’Dana’ (of ’Bridger’) en die hen vatbaar maakt voor een gewelddadigheid waartoe zij zichzelf nooit in staat hadden geacht.

,,Zij en Bridger betekenden niets voor hem’’, voelt Dana wanneer ze de bedrieger voor het eerst in het oog vat. ,,Minder dan niets, en bij die gedachte werd ze haast verlamd van haat. Als ze een vuurwapen had gehad, had ze geschoten. Dat had ze best gekund. Dat geloofde ze echt.’’ Op dat ogenblik raakt zij, ook in zichzelf, aan een wereld en een werkelijkheid die het moderne leven gewoonlijk verbergt achter een sluier: niet van onwaarheid maar van de onontwarbaarheid van het authentieke en het nagemaakte.

Maar één andere uitzondering lijkt er te zijn op die algemene regel van vervalsing. De taal drukt uit wat wij denken, zo ongehinderd mogelijk. Dat zouden zelfs doven althans graag van de taal denken. ,,Doven onder elkaar, dat is altijd talk talk, aan één stuk door’’, denkt Dana op het moment waarop Boyles boek zijn titel moet hebben gekregen. ,,Communicatie, de universele behoefte. Informatie. Toegankelijkheid, Ontsnapping uit de gevangenis van de stilte. Talk talk talk.’’

Maar dan heeft de roman allang duidelijk gemaakt dat woorden de gedachten evenzeer verraden als vertalen. Ze willen verstandhouding en weerstandsloos begrip, maar brengen ons denken uiteindelijk nooit ongeschonden tot uitdrukking. En daarmee is ook de communicatie altijd maar halfslachtig. Zelfs tussen Dana en Bridger reikt ze niet tot aan het eind – en werkelijke gerechtigheid geschiedt aan het slot van de roman al evenmin. Het leven neemt zijn loop, halfslachtig zoals alles, ergens halverwege zijn en schijn. Als dat onze conditie is in het cyber-, media- en postmoderne tijdperk, dan heeft Boyle daarvan een even indringend als meeslepend portret geschilderd.

mailIcon print |