*

 

’Ik voel van alles, Richard; ik heb alleen nooit tijd’

Jann Ruyters − 10/06/06, 00:00

recensie Richard Novak is rijk, gescheiden en woont in een villa bij Los Angeles. Op een dag zoekt hij een zinvoller bestaan. Daartoe sluit hij vriendschap met een kluizenaar, redt een ontvoerde vrouw uit een kofferbak, volgt een vijfdaagse cursus in een meditatiecentrum en zoekt contact met zijn zoon. Een aandoenlijke held in een narcistische, overspannen samenleving.

Boeken die beloven je leven te redden, verschijnen er aan de lopende band in de VS, maar het is niet wat je verwacht van A.M. Homes. Deze 45 jaar oude, Amerikaanse schrijfster werd eerder tot Queen of suburbia gebombardeerd omdat ze in haar verhalen en romans het helse bestaan achter gazon en oprijlaan zo treffend wist op te roepen. Memorabel waren ook haar duistere inkijkje in de ziel van een veroordeelde pedofiel in ‘The End of Alice’ en haar even verontrustende verslag van haar eigen achtergrond: ‘The Mistress’s Daughter’. In dit in een kerstnummer van The New Yorker gepubliceerde relaas vertelt Homes hoe ze, na als adoptief kind harmonieus te zijn opgegroeid in een kunstzinnig milieu in Washington D.C., na dertig jaar wordt opgespoord en later gestalkt door haar biologische moeder. Deze overweldigende vrouw accepteert Homes’ voorzichtige terughoudendheid niet, en in het vrij treurige vervolg schetst de schrijfster hoe wankel haar bestaan daarna aanvoelt.

Misschien dat die ontwortelende confrontatie wel een van de aanleidingen is geweest tot de wending die Homes’ werk nu neemt in ’This Book will save your Lfe’. Met de nadruk op ‘misschien’, want het staat bepaald niet vast hoe serieus we de hoop-tegen-de-klippen-op van de held in dit boek nu eigenlijk moeten nemen.

Die held is Richard Novak, welgestelde babyboomer in de City of Dreams. Richard is gescheiden, renteniert, woont in een villa op een heuveltop, en heeft alleen maar contact met zijn werkster en zijn diëtiste. De mysterieuze zwemster die hij iedere ochtend door zijn raam naziet bij haar tocht door het water, noemt hij ‘zijn vertrouwelinge, zijn muze, zijn meermin’. Dat zegt genoeg.

Op een goede ochtend schrikt Richard wakker uit deze onthechte staat. Een snijdende pijn in zijn borst brengt hem in het ziekenhuis. ,,Er is iets gebeurd, maar we weten niet wat’’, zegt de verpleger daar – vrij naar Bob Dylan. ,,Als je na heel lang in de kou, ineens weer de warmte in komt, doet dat pijn’’, legt zijn huisarts later uit.

Richard slaat daarop aan het dubben over leven, ex, zoon, broer, en ondertussen gaan ook in het LA om hem heen kleine dingen aan het schuiven. Heel fraai is hoe Homes het absurde van die gebeurtenissen eerder bij de lezer neerlegt dan bij Richard zelf. Die was zich zo lang nergens van bewust, dat hij nu ook nergens meer van opkijkt.

Zo ontdekt hij plotseling een kuil in de grond voor zijn villa. En op een goede ochtend staat er een paard in die steeds groter wordende kuil. Richard belt verkeer en waterstaat, politie, brandweer, en heeft hilarisch vervreemdende telefoongesprekken met die instanties, maar de redding komt uiteindelijk van een buurman: geen brandweerman, politieman, zelfs geen overheidsman maar een filmster, een actieheld.

Natuurlijk kan deze, volgens Richard ‘fascinerend zelfverzekerde’, Tad Ford het paard er weer uit krijgen: ,,Het is mijn vak.’’ De ster bezit een helikopter en het speciale tuig leent hij van de filmstudio. Alleen in LA is een filmheld concreter dan een agent.

Na die subtiele, abstracte dreiging van pijn, kuil en paard stapt Homes over op een vrij concrete en herkenbare (zij het wat extreme) invulling van Richards zoektocht richting een zinvoller levensstijl. Die nieuwe dadendrang wordt de lezer wel eens wat te veel van het goede. Richard vangt in een supermarkt een wanhopige huisvrouw op, sluit vriendschap met een kluizenaar – tevens beroemd auteur in Malibu, geënt op cultschrijver en complottheoreticus Hunter S. Thompson – doet een vijfdaagse workshop ‘over onze complexe relatie met pijn, verdriet en verlies’ in een meditatiecentrum voor beroemdheden, redt een ontvoerde vrouw uit een kofferbak, hij heeft goede seks met zijn fysiotherapeute met maar één borst, en brengt een zomer door met zijn al jaren van hem vervreemde Newyorkse puberzoon.

Richard komt dus los en ondertussen legt Homes een in schijnzekerheden en schijnwerkelijkheden handelende, overspannen, narcistische samenleving bloot die helemaal geen vijanden van buiten nodig heeft om de apocalyps over zichzelf af te roepen. Ze verliest in die opeenstapeling van westerse zoekers naar niet-westerse antwoorden wel iets van de concentratie van de lezer, maar ‘held’ Richard blijft ontroerend in zijn streven. Juist omdat we indirect ook nog wel het een en ander opvangen van het gemankeerde contact met zijn nieuwe en zijn oude dierbaren. Zoals de gepreoccupeerde ex (‘Ik voel van alles Richard; ik heb alleen nooit tijd’), en de puberzoon die in een enkele middag in Disneyland het gemis van jaren wil inhalen (‘Ik wil meer!’).

Het best en scherpst blijven echter die passages waarin Homes een grotere dreigende duisternis door alle onbevangenheid heen laat klinken. De pijn en de kuil in het begin, de plotse natuurramp aan het slot die je toch al van verre voelt aankomen.

De vraag rijst wel, of iets nog een ramp kan zijn als het zijn belangrijkste slachtoffer relatief onberoerd laat. Na aardverschuiving en bosbranden, dobbert een ‘ingedaalde’ Richard tevreden op een omgekeerde tafel in de oceaan, zo onbekommerd als Voltaire's Candide in zijn tuin. ,,Wees maar niet bang, ik zal er altijd zijn’’, zegt Richard zijn zoon per mobieltje, terwijl de CNN-helikopter zich alweer naar belangrijkere slachtoffers spoedt. Oké, de wereld is vreemd en gaat ten onder, maar dat deert niet als je er maar voor bent gegaan, is dat de boodschap? Het blijft verdacht, komend van A.M. Homes, en juist daarom blijft deze ‘redding’ ook naprikken.

mailIcon print |