recensie Kiezers met een accent mag je in Ohio niet naar hun rijbewijs vragen als ze komen stemmen. Dat zou discriminatie zijn, heeft een rechter vorige week beslist. Dat zoiets juist werd geprobeerd in Ohio, de staat waar de laatste keer de beslissing viel bij de presidentsverkiezingen, is geen toeval.
Bij het stembureau vragen naar legitimatie is een beproefde manier in de VS om mensen weg te jagen. En kiezers wegjagen, dat is een manier om verkiezingen te winnen. In dit geval: iemand die geen paspoort of rijbewijs heeft, stemt waarschijnlijk niet op de Republikeinen.
Op 7 november gaan de Amerikanen naar de stembus om alle 435 leden van het Huis van Afgevaardigden te kiezen, en 33 van de 100 senatoren. Dat doen ze elke twee jaar, nu dus precies tussen twee presidentsverkiezingen in. Zo is het bedacht door de opstellers van de Grondwet, die graag een stabiel evenwicht zagen tussen de wetgevende macht, het Congres, en de uitvoerende macht, geleid door de president.
In de VS behoort het tot de goede toon om die ’framers’ tot genie te verklaren. Zij hebben de eerste democratie vormgegeven, en meteen ook maar de beste die denkbaar is, een voorwerp van jaloezie voor heel de wereld. Maar daar valt wel wat op af te dingen. Het akkevietje in Ohio laat zien waar een van de grootste zwakheden ligt: de meeste verkiezingen vinden op lokaal niveau plaats, en het is de lagere overheid, niet eens per staat maar in 4600 districten, die ze organiseert.
Waar dat allemaal toe kan leiden, is onlangs uitgebreid opgeschreven door politicoloog Spencer Overton, hoogleraar recht aan de George Washington Universiteit en lid van de federale adviescommissie over verkiezingshervormingen. In ’Stealing Democracy’ aarzelt hij niet, het Amerikaanse politieke leven te vergelijken met het bestaan van de meeste mensen in de film ’The Matrix’: zo vrij als ze denken dat ze zijn, zo gekluisterd zijn ze in werkelijkheid.
Zijn boek maakt je niet vrolijk. Wie zich had neergelegd bij het feit dat hij niet mee mag stemmen over het feitelijk leiderschap van de westerse wereld, moet nu ook nog inzien dat de Amerikanen daar minder invloed op hebben dan je zou denken. In plaats daarvan jagen of lokken eenmaal verkozen politici de kiezers in hun eigen kamp zoals een boer zijn schapen verweidt. Een enkele keer springen ze brutaal over het hek, als de bovenbazen het te bont maken, maar door de jaren heen geeft het systeem hen een ontstellende baanzekerheid.
Voor politici die in districten worden verkozen, zoals het geval is bij de leden van het Huis van Afgevaardigden, kun je dat ’hek’ tamelijk letterlijk nemen. Periodiek moeten voor die districten de grenzen opnieuw getrokken worden, om te zorgen dat ze allemaal ongeveer evenveel mensen omvatten. Maar met die grenzen kun je spelen. Mensen wonen nu eenmaal vaak op basis van afkomst of inkomen bij elkaar in de buurt. En omdat er in de VS maar twee partijen van belang zijn, de Democraten en de Republikeinen, vallen hele wijken of steden al gauw in het ene of andere kamp.
Het creatief trekken van de grens – de vakterm is ’gerrymandering’, naar ene Elbridge Gerry en een district dat zich in 1812 als een salamander over de kaart kronkelde – kan er dan ook voor zorgen dat een kiesdistrict gegarandeerd Democratisch of Republikeins is. Vaak delen de twee partijen de buit, zodat de bijna alle lokale volksvertegenwoordigers het volk toegewezen krijgen dat hen in het zadel houdt.
Mag dat zomaar? Ja, hebben rechters keer op keer uitgesproken. Met één uitzondering: de districten mogen niet zodanig worden getrokken dat een belangrijke etnische minderheid alle politieke macht wordt ontnomen. Puur politieke discriminatie, kortom, is geen discriminatie.
Maar zie dat maar eens aan te tonen. In Ohio, in de hoofdstad Columbus, waren in 2004 in sommige wijken zo weinig stemmachines dat kiezers uren moesten wachten voor ze het stembureau binnen konden. Het waren ook nog arme wijken; veel mensen konden het zich niet permitteren om zo lang in de rij te staan, en gingen weer terug naar hun werk. In andere bureaus, toevallig in betere buurten, was de wachttijd maar een kwartier. „Ik hoop maar dat het niet expres was, zei makelaar Tanya Thivener tegen de Washington Post.
Dat een gewone kiezer die verdenking bij zich voelt opkomen zegt veel over de politieke cultuur. En als een monument van die cultuur staat sinds 1965 de Voting Rights Act in de boeken. Die moest een einde maken aan de misstanden in het zuiden van de VS, waar een soort ’inburgeringsexamens’ en financiële eisen het voor zwarten praktisch onmogelijk maakten om te gaan stemmen.
En dat terwijl direct na de Burgeroorlog, die aan de slavernij een einde maakte, nog honderden zwarten in politieke functies waren verkozen. Tussen 1870 en 1900 schopten zelfs 22 het tot Congreslid in Washington. Dat was er maar eentje minder dan in dezelfde periode een eeuw later, tussen 1970 en 2000.
De Voting Rights Act bepaalt dat het verboden is bij verkiezingen te discrimineren, en legt aan een groot aantal vooral Zuidelijke staten en districten de verplichting op om elke verandering in de verkiezingsvoorschriften voor goedkeuring op dit aspect aan te melden in Washington.
Die controle is heel streng, het verplaatsen van een stembureau van een rijke wijk naar een arme wijk kan al verboden zijn. In gebieden met een grote taalminderheid moeten de stembiljetten ook in die taal beschikbaar zijn.
Bij het verlengen van de wet, eerder dit jaar, kwamen zuidelijke afgevaardigden met een amendement dat die voor hen ’discriminerende strafbepaling’ afschafte, maar ze kregen hun zin niet. President Bush ondertekende hem voor de komende kwarteeuw.
Maar aan het uitsluiten van kiezers op basis van ras maakt die wet geen definitief einde. Zo ontnemen verschillende Amerikaanse staten, waaronder Florida, Kentucky en Virginia levenslang het stemrecht aan wie veroordeeld is wegens een misdrijf, of dat nu een moord is of drugsbezit.
Dat betekent in de praktijk dat 1,6 miljoen Amerikanen geen stemrecht meer hebben. En omdat zwarten in verhouding vaker in aanraking met justitie komen dan blanken, staat in de drie genoemde staten een op elke acht zwarten overal buiten.
De grootste bedreiging van het stemrecht van minderheden – en neem daarvoor maar iedere groep in gedachten die de politieke zwaargewichten in een district dwars zitten – is volgens Overton paradoxaal genoeg het anti-fraudebeleid. Partijen die erop aandringen dat kiezers zich voortaan moeten legitimeren, hebben volgens hem doorgaans een verborgen agenda.
Ongetwijfeld zouden ze daarmee kunnen voorkomen dat eens iemand onterecht stemt. Maar in de praktijk hebben zulke maatregelen vooral tot gevolg dat een veel groter aantal mensen niet gaat stemmen, omdat het lastiger wordt. En reken maar dat de voorstanders van die controles precies weten bij welke kandidaat dat pijn zal doen.
S. Overton, Stealing Democracy - the new politics of voter suppression, Norton, New York, 2006.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.