*

 

Schilder van het verval

door Anne Marijke Spijkerboer − 05/09/06, 00:00

Op de tentoonstelling ’Armando – Mulders – Zuurmond, Schilders pur sang’ in het Amersfoortse Armandomuseum, lijkt gastheer Armando, Marc Mulders de meeste eer te willen geven. Mulders’ werk kent een sterk religieuze symboliek, voor elke leek zichtbaar maar ook meer verhuld.

De schilders Marc Mulders en Ronald Zuurmond zijn met een deel van hun werk tot half november te gast in het Armandomuseum in de voormalige Elleboogkerk in Amersfoort. Armando nodigde de twee uit voor een expositie met schilderijen van hun drieën. De bijbehorende videopresentatie draait uitsluitend om Marc Mulders en diens atelier: Armando lijkt hem de meeste eer te willen geven.

Wie kijkt naar het werk van Armando (1929) en de beide Tilburgse schilders Ronald Zuurmond (1964) en Marc Mulders (1958), ziet allereerst verf, veel dik aangebrachte verf – met name bij Mulders. Op een paar passen afstand vangt het oog allerlei tinten oranje, grijs-bruin, lichtgeel en grijs-blauw. Wanneer je dichter op een schilderij gaat staan, zie je uit hoeveel verschillende kleuren deze grijzen en oranjes zijn opgebouwd: licht- en donkerrood, heldere soorten blauw-groen en knalgeel. Vanuit deze massa zwemt je bijvoorbeeld een zeeduivel tegemoet, die er met zijn kleine tanden eerder wat benauwd dan echt duivels uitziet.

Figuratief zijn ze alle drie, althans: geen enkel stuk is geheel abstract; op zijn hoogst geabstraheerd. De schilderijen van Marc Mulders laten van de drie de meest herkenbare beelden zien: de irissen, rozen en het uitgehangen wild – hazen, reeën en een os, zoals we ze kennen uit zijn verdere oeuvre. In het werk van Armando zijn droomachtige beesten te zien die op je af lijken te komen. Ook bij Ronald Zuurmond tref je zo nu en dan nachtelijke verschijningen aan: tere, plantaardige vormen, verdroogd of verlept tegen een nu eens geheel lichte, dan weer volkomen duistere achtergrond.

In de video-opname is Mulders te zien in zijn atelier, en daar komen heel andere stukken van hem voorbij: de bossen (echte) bloemen, net over hun hoogtepunt heen, de repen krant met de rauwe actualiteit, maar ook de uitgescheurde madonna’s met kind. In de catalogus is er van hem eveneens het een en ander binnengeslopen dat niet te zien is op de tentoonstelling: een geaquarelleerde pauw genaamd ’The Passion’ en de evenzo transparante vlinders.

Zowel uit de video-opname als uit het andere werk blijkt hoezeer Mulders een religieus geïnspireerd kunstenaar is.

De sterk religieuze symboliek in zijn werk is voor elke leek zichtbaar, zoals Christus aan het kruis of Maria-met-kind, maar ook op een meer verhulde manier. Zo zijn er de vele irissen, waarin met enige goede wil de vorm van het kruis te herkennen is, de vlinders als beelden van de ziel, en de vissen als verwijzing naar Christus. Toch hoeft de kijker bij de irissen niet per se aan het kruis te denken. Hij of zij mag ook gewoon genieten van de steeds herhaalde bloem en zoeken naar irissen met dezelfde kleuren op één werk.

Bij de vissen is het met de symboliek zelfs wat ingewikkeld. Nergens in de kunstgeschiedenis is vastgelegd welke geschilderde vissen een symbool van Christus mogen zijn en welke niet. De vis als adequaat Christus-symbool is liefst niet te zeer uitgewerkt. Bij voorkeur heeft een Christus-vis geen afleidende details als vinnen of speciale kleuren. Geen enkele vis in het gemiddelde hobbyaquarium zou bijvoorbeeld in aanmerking komen. Je mocht eens meer aan Disney’s ’Finding Nemo’ denken dan aan de lijdende Heer.

Wat moet de kijker van de tentoonstelling daarom met de benauwd ogende zeeduivel? Verwijst hij naar het lijden of naar de omkering van het kwaad? Het geheel van Marc Mulders’ werk beziend, ontkom je niet aan de associatie met Christus. Als bezoeker van deze tentoonstelling mag je, als je wilt, al deze associaties terzijde laten en plezier hebben in de vis die jou vanuit de dikke verf tevergeefs probeert te bereiken, vooral omdat het hem niet lukt.

Mulders’ symboliek wordt niet alleen ingegeven door de vaste, bestaande kanon van symbolen. Hij vormt ze ook zelf door zijn thema’s veel te herhalen. Eén dode en uitlekkende haas is gewoon een stuk wild. Tien opgehangen hazen, gevoegd bij opgebonden fazanten en andere vogels, geven te denken.

De geslachte reeën, hazen en konijnen, te gast bij Armando, worden bovendien gecompleteerd door een geslachte en opgehangen os, die sinds de soortgelijke schilderijen van Rembrandt en Soutine nooit meer zomaar zichzelf kan zijn. De ossen van Rembrandt en Soutine zijn rood van het bloed. Die van Mulders is grijzig. Rood of grijs, in al hun enormiteit zijn de beesten een beeld van rauwe kwetsbaarheid.

Die kwetsbaarheid zit ook in Mulders’ reeën, hazen en fazanten, al is het alleen omdat je ze in gedachten angstig en met uitpuilende ogen, krakend en ritselend door het Veluwse struikgewas hoort springen, in een poging te ontkomen aan de jagers met hun groene hoedjes. Geen van hen heeft het gehaald, want daar hangen ze, in een duister bruinrood en donkerroze.

’Vergankelijkheid’ is een slagwoord geworden in de vele besprekingen van Mulders’ oeuvre. Dat is wel het minste: met al die dode beesten mag ’melancholie’ er ook bij, evenals ’einde’ en ’de wereld gaat voorbij en haar begeren’ (als je dan per se iets religieus wilt citeren).

Waar de bloemen, vogels, vissen en andere dieren bij Mulders een wedstrijd doen in wie het meest echt en materieel zijn, daar lijken de monsterachtige droombeesten van Armando in contrast steeds onwerkelijker te worden. Er is niet alleen de zwarte, hondachtige figuur die in zijn lompheid haast weer vertedering opwekt, maar ook de groene vogel met de buitenproportioneel grote vleugels.

Er is weinig vrolijks aan zijn werk. Bij Mulders is er in het vergaan nog schoonheid te vinden. In bijvoorbeeld Armando’s ’Menschliches’ vermoed je in de zwarte kop met witte ogen en gebit echter een hopeloze wereld.

Vanuit dood en – mooie – rotting bij Mulders, valt je de verdroging bij Ronald Zuurmond op: de ragfijne, zwarte spinachtige vormen suggereren dat ook daar het leven goeddeels uit de planten verdwenen is. Maar wat droog is, kan lang bewaard worden. Zijn werk geeft daardoor geen zwart beeld van de werkelijkheid, en melancholiek is het ook niet. De vormen zijn eenvoudig mooi.

De religiositeit van Marc Mulders is in de tentoonstellingsruimte zelf niet openlijk aanwezig. Aan de randen is ze zichtbaar in de videofilm en de catalogus. De tentoonstelling laat zien dat Mulders ook buiten een religieus kader ’werkt’. Zuurmond laat door zijn fijnheid zien hoe aards Mulders’ werk is, en Armando benadrukt door zijn somberheid bij Mulders juist de schoonheid van het verval. Wie wil, kan dat verbinden met de religieuze intenties van Mulders.

mailIcon print |