recensie Mohammed Choukri, in 1935 geboren in het Rifgebergte, was tot zijn twintigste analfabeet. Later schreef hij hartverscheurend eerlijk over zijn jeugd in een straatarm, uitgehongerd land.
Volkomen terecht heeft uitgeverij Van Gennep besloten ’Hongerjaren’ van de Marokkaanse schrijver Mohammed Choukri in het Nederlandse taalgebied een tweede kans te geven. Deze autobiografische roman, die in Marokko lange tijd verboden was, is al eens eerder in ons land uitgebracht, in 1983, door Het Wereldvenster. Het boek heeft toen echter niet zo veel gedaan, al werd het met welwillendheid ontvangen.
Van Gennep heeft de vertaling grondig laten herzien en bovendien de Nederlandse Marokkaan Abdelkader Benali gevraagd een inleidende tekst te schrijven, waarschijnlijk om deze roman meer kans te geven een groot publiek te bereiken. Dat was een bijzonder goed idee: nu beschikken we niet alleen over een fraaie vertaling van een mooi en belangrijk boek, maar bovendien over een schitterend, zeer persoonlijk voorwoord waarin dat werk voor de lezer op een heldere manier in zijn context wordt geplaatst.
Vermoedelijk ter wille van het evenwicht is het geheel vervolgens ter uitgeverij in een zeldzaam lelijke omslag gestoken, dat u er echter zeker niet van mag weerhouden deze roman aan te schaffen en, vooral, te lezen.
Wie was Mohammed Choukri? Hij werd in 1935 in het Marokkaanse Rifgebergte geboren, en was tot zijn twintigste analfabeet. Nadat hij had leren lezen en schrijven noteerde hij, mede op aansporen van de Amerikaanse schrijver en componist Paul Bowles – die jarenlang in Tanger woonde en met wie Choukri bevriend was – zijn levensverhaal in romanvorm.
Een vrolijk verhaal is het niet. Maar als verteller toont Choukri zich in dit boek een natuurtalent van het zuiverste water. In latere jaren schreef hij nog enkele boeken, maar op gezag van Abdelkader Benali begrijp ik dat hij in dat latere werk het niveau van ’Hongerjaren’ niet meer heeft gehaald. Mohammed Choukri stierf in 2003, en werd in Tanger begraven.
Onopgesmukt en in tomeloze vaart vertelt Choukri in deze roman hoe met hem in zijn jonge jaren van kwaad tot erger ging, tot aan het moment waarop hij besloot zijn leven een wending te geven en erin slaagde te gaan studeren.
Het boek begint met een overrompelende beschrijving van de avond waarop Choukri’s broer door hun beider vader in een vlaag van dronkenschap werd vermoord. Drank speelt in dit boek ook verder een zeer grote rol. Hoewel Marokkanen, als goede moslims, geacht worden geen alcohol te drinken, zoeken bijna alle personages in het boek vroeg of laat hun heil in de fles, liters en liters wijn en vooral hele sloten cognac van dubieus fabrikaat jagen zij erdoorheen, om hun honger en ellende te vergeten, of om hun seksuele lusten eronder te houden.
Want ook seks komt in het boek uitvoerig aan de orde. Geen verfijnde erotiek, maar de onweerstaanbare lichamelijke aandrang. Niet vaak heb ik zulke overtuigende beschrijvingen gelezen van de overweldigende maar ongerichte, bij vlagen zelfs radeloze bronstigheid van de seksueel ontwakende puber, die bevrediging zoekt waar hij die vinden kan, bij prostituees, bij de vrouw van zijn baas, bij jongens, bij dieren en, als er helemaal niets anders op zit, in de holte van een boomstam.
Nooit echter wordt het boek vulgair, de lezer kan alleen maar mededogen voelen met een jongen die door het lot is neergepoot in een straatarm, gewelddadig en uitgehongerd land vol taboes, en die probeert te overleven en een plaats voor zichzelf te veroveren in de keiharde straatwereld van de steden Tanger en Tetouan.
Om dat mededogen van de lezer wordt overigens door Choukri nergens gevraagd. Hij vertelt alleen maar, met een loepzuiver gevoel voor sprekende details. Zonder sentimentaliteit, pathos of effectbejag verhaalt Choukri in eenvoudige taal hoe hij zich jarenlang in een milieu van smokkelaars, straatrovers en prostituees heeft weten te handhaven.
Hij moraliseert ook niet, hij laat enkel zien. Zo beschrijft hij onder meer hoe hij een techniek ontwikkelt om rond te kunnen lopen en zelfs te kunnen praten met scherpe scheermesjes in zijn mond. In de wereld waarin hij leeft beginnen de mensen te slaan alvorens ze gaan praten – als ze al in staat zijn om te praten en een gesprek te voeren – en je kunt dus maar beter je voorzorgsmaatregelen hebben getroffen en je steeds zo goed mogelijk wapenen.
Keer op keer wordt Choukri geconfronteerd met verraad door lotgenoten, losgeslagen rabauwen als hijzelf, en moet hij vluchten voor de politie, een slaapplaats zoeken in een bordeel, onder een brug of op een begraafplaats, waar steeds het gevaar bestaat dat hij wordt bestolen door iemand die in hetzelfde schuitje zit als hij.
Bijzonder is dit boek vooral door de nietsontziende eerlijkheid van Choukri, die anderen maar ook zichzelf nergens spaart en zich nergens voor excuseert. Met die eerlijkheid wint hij de sympathie van de lezer, die aan het slot van het boek, wanneer het leven van de hoofdpersoon zich ten goede keert, alleen maar kan verheugen dat er een einde is gekomen aan het half-dierlijke bestaan waarvan hij zojuist een adembenemend verslag heeft gelezen.
Is ’Hongerjaren’ een meesterwerk? Dat is waarschijnlijk iets te veel eer, maar het boek, waarvan inmiddels wereldwijd meer dan een miljoen exemplaren zijn verkocht in meer dan twintig landen, zal de tand des tijds zeker nog wel enige decennia weerstaan als een uniek getuigenis van het leven aan de onderkant van de Marokkaanse samenleving in de jaren vijftig van de vorige eeuw.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.