*

 

Graven naar botten in de Syrische woestijn

Judit Neurink − 11/02/06, 00:00

recensie De Britse journalist Robert Fisk schreef een boek over de vele oorlogen in het Midden-Oosten dat bij nader inzien vooral over hemzelf gaat. De regio is een mer à boire voor ijdele journalisten.

'Het echte verschil tussen de Armeense Holocaust en de Joodse Holocaust is dat Duitsland zijn verantwoordelijkheid heeft erkend, terwijl de opeenvolgende Turkse regeringen ervoor hebben gekozen de Armeense genocide te ontkennen.“ De Britse journalist Robert Fisk is hier op zijn best, op pagina 459 van zijn magnum opus 'De grote beschavingsoorlog'.

Het citaat volgt op een beklemmend verslag van een bezoek dat Fisk brengt aan een heuvel bij en rivier ergens in de Syrische woestijn. Aan de voet ervan liggen tussen sleuven grond, zomaar in de modder, botten en schedels. Het zijn de resten van zeker 20000 Armeniërs.

Mannen, vrouwen en kinderen zijn hier in 1915 door Turkse militairen naar toe gebracht. In groepen bijeengebonden zijn ze van de heuvel afgeduwd, de rivier in, en verdronken. Fisk had de beenderen dichter bij de rivier verwacht, en concludeert dat die lijken de loop van de rivier veranderd hebben.

Fisk noteert de getuigenissen van stokoude overlevenden en vindt in de archieven tal van verslagen van Britse en Amerikaanse diplomaten. Vanaf november 1914 blijken er zelfs dagelijkse verslagen van de moordpartij in de New York Times te hebben gestaan. Hij verbaast zich erover dat de Turken desondanks kunnen blijven beweren dat er nooit een genocide heeft plaatsgehad.

Dan wordt Fisk de activist wakker. Pagina's lang beschimpt hij regeringen die hun oren naar de Turken laten hangen. En al zijn gelijk ten spijt weet Fisk zijn lezers weer zo te ergeren met zijn betweterigheid dat de neiging het weg te leggen groot wordt. Weinigen zullen dit dikke werk uitlezen, velen zullen het slechts als naslagwerk gebruiken, vermoed ik. Fisks gelijkhebberij maar ook zijn ijdelheid leidt te vaak tot irritatie. Vaak kiest hij zichzelf als onderwerp, in plaats van als verteller een stap achteruit te doen. Je moet ook wel ijdel zijn om voor jouw visie op de oorlogen in het Midden-Oosten ruim 1400 pagina's nodig te hebben.

Toch laat het Armeense verhaal zien waarom de lezer het boek toch weer zal moeten oppakken. Hoe goed weet Fisk te onderbouwen dat de Turken met hun massamoord de latere nazi's hebben geïnspireerd. En dan wil je ook het verhaal weten van de duizenden Armeniërs die eerst beschermd werden door de Fransen en daarna door hen verraden, toen de Fransen probeerden de Turken aan hun kant te krijgen, in de Eerste Wereldoorlog.

Je vergeeft hem de uitwijdingen over zijn eigen ontberingen, als je zijn beschrijving leest van een treinreis terug van het front in de Iran/Irak-oorlog. Hij zit in een trein vol Iraanse mannen die in aanraking zijn geweest met gifgas. “Bij allen druipt langzaam bloed en slijm uit mond en neus.“ Ze kijken niet naar hem: “Zij zaten in hun eigen hel waarin ik, Gode zij dank, niet toegelaten kon worden.“

Dat hij zijn boek begint met zijn ontmoetingen met Al-Kaida voorman Osama bin Laden, tekent zijn ijdelheid, maar er zijn ook niet veel journalisten die Bin Laden drie keer hebben gesproken. Of we daar heel jaloers op moeten zijn is een tweede, want veel informatie levert het niet op. Of het moet de wetenschap zijn dat Bin Laden de Saoediërs ooit per fax de oorlog heeft verklaard.

Toch, het feit dat hij tegenover de man heeft gezeten heeft Robert Fisk vóór op zijn Amerikaanse collega Jonathan Randal, die Bin Laden nooit heeft gezien of gesproken maar wel een heel boek aan hem wijdde. 'Osama, the making of a terrorist' blijft niet voor niets steken in een algemenere beschrijving van het moslimterrorisme. Maar Randal geeft op heel wat minder papier dan Fisk toch ook een tekening van een tijdperk. Hij bericht niet alleen over Bin Ladens ontwikkeling van held (ten tijde van de strijd tegen de Russen in Afghanistan) tot herrieschopper (als hij zijn strijd tegen het Saoedische koningshuis en de Amerikanen is begonnen), maar schetst ook het politieke klimaat in Saoedi-Arabië, Algerije en Soedan.

Dat laatste land was volgens de Soedanese islamitische leider Al-Turabi 'het volmaakte oord om duizend bloemen te laten bloeien' en begin jaren negentig een 'islamitische vrijplaats' voor Bin Laden. En hier komen we wel wat nieuws te weten: de Amerikanen hebben na de aanslagen op twee Amerikaanse ambassades in Afrika belangrijke informatie over Bin Laden en Al-Kaida aan hun neus voorbij laten gaan, toen ze Soedans aanbod om twee zojuist aangehouden verdachten te verhoren, afwezen.

Overigens kan ook Randal enige ijdelheid niet worden ontzegd, bijvoorbeeld als hij meldt meermalen met Al-Turabi 'de degens te hebben gekruist'. Hem kan vooral verweten worden dat hij zijn boek een titel heeft meegegeven die de lading niet dekt - want het gaat niet echt over de mán Bin Laden. Maar hij roept in ieder geval niet dezelfde irritatie op als Fisk - en het is niet zijn schuld dat de Nederlandse vertaling (bij uitgeverij Bert Bakker) zo rampzalig slecht is dat de Engelse versie zeer te prefereren is.

mailIcon print |