*

 

Kinderoog

Wim Boevink − 31/03/06, 00:00

Televisie, je moet er een sterke maag voor hebben en stalen zenuwen. Meer dan eens heb ik op deze plaats de medische porno gehekeld die we via ziekenhuisdocumentaires over ons uitgestort krijgen. Er zou iets troostends van uitgaan, zeggen de makers, maar dat kan voor porno ook gelden. Ik loop met een boog om dit soort programma's heen, er zijn grenzen aan mijn voyeurisme en die zijn bij het uittrekken van een ontstoken vingernagel ruimschoots bereikt.

Ziektes zijn eng en naar. Laatst was er nog een hele avond aan kanker gewijd, met Jos Brink en andere bekende Nederlanders geloof ik, maar ook daar blijf ik verre van. Ik raak die opgedane kankerverhalen sowieso maar nauwelijks kwijt, ze blijven aan je knagen van binnen en daar krijg je hele foute celdelingen van. Nog staat me voor de geest hoe de kaalhoofdige Johan Stekelenburg in 'Vinger aan de pols' vertelde over zijn buismaag-operatie: hij heeft zijn verhaal niet overleefd. De uitzending, waarin ook de zieke choreograaf Rudi van Dantzig te gast was, werd geleid door Pia Dijkstra, een vrouw die een sterke maag moet hebben. Ze zit altijd op een wat eigenaardig onaangedane manier tussen delijdenden, en ondanks de vreselijke dingen die ze moet benoemen, weet ze elke sentimentaliteit te mijden. Vakvrouw.

Onlangs zapte ik per ongeluk midden in een Pia Dijkstra-aankondiging van weer een Vinger aan de pols-aflevering. Ik hoorde die stem luchtigjes zeggen: “Deze week in de kinderpolikliniek krijgt Sammy te horen of haar oogje behouden kan worden en worden de spuitplekken van Emma onder de loep genomen.“ Verstijfd als een konijn in de koplampen van een auto liet ik de uitzending over me heenkomen. “Anderhalve week geleden werd bij de tweejarige Sammy kanker in het linkeroogje ontdekt“, vertelt Pia ontspannen.

Kinderen en kanker: is er een ergere combinatie denkbaar? Een kind waarnemen te midden van de hightech-wereld van het medisch-industrieel complex vind ik al een aangrijpende ervaring. Hoe Sammy op de onderzoekstafel via een mondkapje wordt weggemaakt en verandert in een slap bewegingsloos lijfje, ik kan er amper naar kijken, laat staan dat we moeten meebeleven hoe de oogbol met een stalen tang wordt opgelicht. En na het onderzoek schuiven we met de arts aan voor het gesprek met de ouders. Hoe zal het met het oogje gaan?

Hoe ook het ook kan, toonde een Litouwse documentaire over een leukemie-afdeling voor kinderen in een ziekenhuis in Vilnius. Geen vrolijke boel natuurlijk, ook al vanwege die oostblokkerigheid van koolsoep en verveloze gangen waarin harde geluiden ketsen. Maar wel veel warmte: warmte van hoopvolle en wanhopige moeders, van kaalhoofdige kinderen die met hun rollend infuus een dansje maken op de gang, van een arts die geen medisch latijn spreekt maar gewoon een dagelijks wonder vaststelt: “Als het heel moeilijk wordt, worden de mensen heel menselijk.“ Over de bloedkanker komen we niets te weten, en op het wisselen van een infuuszak na zien we geen medisch handelen. We zien kinderen die kinderen zijn gebleven, al voelen ze zich soms erg naar. Er is een jongetje dat na een beenmergtransplantatie zo ziek is dat zijn hoestbui overgaat in een braakpartij, maar de camera zwenkt onmiddellijk weg naar de luxaflex. Zo doe je dat. Wegkijken.

Schoftige, nare rotziekte - we willen niets met je te maken hebben.

Maar dan hoor ik weer de stem van Pia, geruststellend, troostrijk:

“Het oogje van Sammy wordt volgende week al verwijderd.“

mailIcon print |