Mag Picasso's werk in keramiek grote populariteit genieten, zijn objecten in goud en zilver lijken nauwelijks te bestaan. Ligt dat aan de relatief korte periode van vier jaar waarin hij bekend raakte met de goud- en zilversmeedkunst, een tijd waarin hij objecten schiep die hij als ontwerp door derden liet uitvoeren?
In ieder geval mocht deze periode wel eens beter belicht worden. Dat vond ook het Belgische Museum voor edelsmeedkunst, dat op de bovenverdieping van het prachtige kasteel van Seneffe, even onder Brussel, onderdak heeft gevonden.
Dit museum - de vaste zilvercollecties staan in de benedenruimtes van het classicistische paleis uitgestald - trekt sinds zijn openstelling enkele jaren geleden voortdurend de aandacht met exposities die voor het grote publiek zijn bestemd maar ook vanuit kunsthistorisch perspectief bekeken goed in elkaar steken.
Zo ook met deze tentoonstelling 'Picasso in goud en zilver', die Picasso's omgang met de edele metalen situeert in zijn al vroeg ontloken aandacht voor het traditionele stilleven. Picasso (geboren in het Andalusische Malaga in 1883, gestorven in het Franse Mougins in 1973) is de belichaming van de moderne kunst sinds de eerste twee decennia van de 20ste eeuw, toen hij samen met Braque het kubisme ontwikkelde.
In die vroeg-moderne schilderijen heeft altijd het stilleven centraal gestaan. Het lag voor de hand dat dit onderwerp ook later een rol van belang zou blijven spelen. Picasso mag zich dan constant hebben willen vernieuwen (en dat in een fabelachtig snel ritme), hij bleef een echte modernist die voortdurend teruggreep op grote voorbeelden uit het verleden. Zo was hij onder meer schatplichtig aan de stillevenschilder Francisco de Zurbaran die tot de grootste Spaanse schilders van de 17de eeuw wordt gerekend.
Zurbaran zette de objecten voor zijn natures morte in een sobere, zelfs wat kale omgeving neer, waardoor er al snel een vervreemdende sfeer binnensluipt. Deze op het object gerichte aanpak moet ooit voor Picasso aanleiding zijn geweest om de potten en schalen ook in keramiek en later in edelmetalen te gaan uitvoeren. Maar ze onbewerkt laten, zoals Zurbaran ze schilderde, dat kon hij nu ook weer niet. En dus groeiden de objecten uit tot dragers van een voorstelling die hij natuurlijk net zo goed in geschilderde vorm had kunnen maken.
Opvallend is bijvoorbeeld dat hij van het driedimensionale gegeven nauwelijks gebruikt heeft gemaakt (en dat terwijl hij toch ook over de beeldhouwkunst heeft nagedacht). De platte schalen kregen een voorstelling in het platte vlak of hooguit in reliëf, steeds in het standaardformaat van 42 cm doorsnede.
Nam Picasso als keramist tenminste nog de klei zelf ter hand (hij bezat daarvoor een atelier in het Zuid-Franse Vallauris), in de materialen goud en zilver wilde hij zich allerminst verdiepen. Hij kon immers een beroep doen op de edelsmid François Hugo, die in 1956 aan Picasso werd voorgesteld.
Het heeft er alle schijn van dat Picasso zich de specifieke problemen die uit de toepassing van de materialen voortkwamen, nauwelijks eigen wilde maken. Hugo koos daarom voor een wijze weg, hij voerde Picasso's ontwerpen uit alsof hij ze zelf had gemaakt. Dat heeft ook tot gevolg dat de meeste zilverschalen (een kleiner deel is in goud gevat) geen echte materiële uitdrukking krijgen. Het luxe karakter dat onvermijdelijk aan objecten van zilver en goud kleeft, is bij Picasso ver te zoeken. Dat maakt ze charmant, maar meer ook niet.
Picasso liet de toepassing van de edele metalen trouwens al snel vallen, nerveus als hij zocht naar nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden en vormen. 'Picasso in goud en zilver' is daarom slechts een kortstondige fase in zijn kunstenaarsbestaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.