recensie Kunst van psychiatrische patiënten heeft een enorme aantrekkingskracht, omdat zij puurheid en authenticiteit suggereert. In de Oostenrijkse psychiatrische kliniek van Maria Gugging werd het een mega-succes. Maar de patiënten werden uitgemolken.
Waanzin. Dat is de titel van het proefschrift dat de Tsjechische Alexandra Schüssler vrijdag aan de Universiteit van Amsterdam verdedigde. De antropologe Schüssler verbleef in 2000 in het Haus der Künstler in de Oostenrijkse psychiatrische kliniek Maria Gugging. Op 30 kilometer van Wenen, aan de rand van het Wienerwald, was in het uiterste hoekje van het landelijke ziekenhuisterrein een kunstenaarskolonie van psychiatrische patiënten gecreëerd. Ze maakten kunstwerken die in de belangrijke galeries in Europa voor veel geld werden verkocht. Schüssler liep mee met personeel en patiënten en zag met stijgende verbazing hoe die laatsten werden uitgebuit. Elk snippertje tekening werd verkocht. Waanzin dus.
De basis voor het ’succes’ van het Haus der Künstler lag bij de psychiater Leo Navratil, stichter van het huis. Hij behandelde jarenlang chronisch schizofrene en psychotische mensen. In zijn zoektocht naar middelen om een betere diagnose te stellen, liet hij in de jaren zestig de mensen tekenen. Na verloop van tijd wist hij uit de simpele tekeningetjes iets op te maken over hun geestestoestand. Hij kon de manische en depressieve fases onderscheiden en de ontwikkeling van het ziektebeeld volgen.
Tussen de patiënten, chronisch geestesziek en door de jarenlange medicatie nooit meer terug te brengen in de maatschappij, zaten een paar goede tekenaars. Navratil vroeg het oordeel van een bevriende kunsthandelaar, Arnulf Rainer. Die was razend enthousiast. Navratil nodigde Oostenrijkse kunstenaars uit en het werk bleek enorm in de smaak te vallen. In 1970 organiseerde hij een tentoonstelling van de tekeningen van een aantal patiënten. Kunstcritici reageerden positief.
Het naïeve, vrije werk, dat in geen enkele bestaande kunststroming paste, was precies waar de Oostenrijkse kunstwereld op dat moment op zat te wachten. Men was in de ban van de Art Brut - anti-intellectuele, subversieve kunst - die uit de band sprong van het strakke keurslijf van de streng-burgerlijke Oostenrijkse cultuur.
Het duurde niet lang of kunstverzamelaars stortten zich op de tekeningen van de patiënten. Tienduizenden euro’s werden – en worden – ervoor betaald. Ook kunstenaars sloten de patiënten in de armen, werkten met hen samen en zagen hun onaangepaste, niet door de corrupte kunstwereld aangetaste werk als lichtend voorbeeld voor de toekomst van de kunst. Andere psychiatrische inrichtingen zochten ook naarstig naar kunstenaars onder hun patiënten, maar nooit werd het zo succesvol. Gugging-kunst werd een internationale hype en verscheen wereldwijd in de media. David Bowie liet zich graag met de ’kunstenaars’ fotograferen.
Toen Alexandra Schüssler in 2000 een jaar in de inrichting ging meelopen voor antropologisch onderzoek, was Johann Feilacher er directeur, in zijn vrije tijd schilder en beeldhouwer. Onder zijn bewind was er een galerie bij de inrichting gekomen, waar het werk verkocht werd. Ook werden rondleidingen langs de werkende schilders en tekenaars georganiseerd. De twaalf beste kunstenaars-patiënten waren in een apart Haus der Künstler ondergebracht.
Schüssler begon heel idealistisch aan haar verblijf. Ze had vier jaar kunstacademie achter de rug en besloot gewoon met de kunstenaars mee te tekenen en schilderen. Ze ging naar August Walla, wiens werk ze enorm bewonderde, en vroeg om een papiertje en potlood. Dat kreeg ze niet: als hij niet alle blaadjes aan het eind van de dag teruggaf, kreeg hij ruzie met de verpleegster.
Langzamerhand kreeg Schüssler door wat er gaande was. Het commerciële succes was het leidende principe geworden. De patiënten moesten produceren. Ze kregen per tekening een klein bedrag zakgeld. Schüssler: „Ze werden tot tekenen aangezet zoals je dat doet met kleine kinderen. Ik heb een verpleegster gezien die een kunstenaar een geel potlood in zijn hand duwde en zei: ’Zo, vandaag moeten we weer een gele fiets tekenen, dat verkoopt goed.’ Toen hij niet wilde, pakte ze een bonbon in een mooi papiertje en hield die voor zijn neus. Ze zei: ’Als je een gele fiets tekent, krijg je deze bonbon. Geen tekening, geen bonbon.’ Dat heeft nog maar weinig te maken met vrije kunst. Het Haus der Künstler was een fabriek geworden. Op ieder snippertje moest getekend worden. Alles werd verkocht.”
Alles wat de leiding van de inrichting verkoopbaar achtte, althans. In de kelders van het complex vond Schüssler stapels afgewezen werk: veel pornografisch materiaal, afbeeldingen van perverse handelingen met kinderen en baby’s, hakenkruizen. Ook dat komt uit de handen van deze vrije kunstenaars. Maar die kant van de waanzin wordt angstvallig buiten beeld gehouden.
Hoezeer commercie en dwang de dienst uitmaken: Schüssler moest een middag helpen om één van de patiënten zijn handtekening te laten zetten. Want dan pas waren de etsen verkoopbaar. De arme man had geen zin en besloot de datum in grote cijfers dwars over de tekeningen heen te schrijven. Schüssler: „Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Maar ik dacht: moet ik de kunstenaar tegenhouden bij zijn vrije expressie? Dit is toch wat zo gewaardeerd wordt in het werk van deze patiënten? Toen we het werk inleverden, was de leiding woedend op mij, want nu was al het werk verpest in plaats van authentiek.”
De inrichting hield het romantische imago van Art Brut hoog. Alleen het naïeve werk dat onschuldig was, werd getoond. Maar van authenticiteit was geen sprake, net zo min als van vrijheid. Terwijl dat nou juist de aantrekkingskracht was. Schüssler: „Dat maakt het zo interessant. Waanzin is onbekend terrein, een vacuüm, waarop iedereen zijn eigen interpretatie kan loslaten. De ene kant van waanzin is de totale vrijheid van denken en handelen, waardoor een waanzinnige misschien wel dichter bij de waarheid kan komen. Mensen vallen voor het pure, het authentieke. Directeur Feilacher raadde kijkers ook altijd aan om deze kunst gewoon over zich heen te laten komen, zonder erover te lezen. Je moest zelf een beetje bruut, ongepolijst, zijn om deze kunst te kunnen waarderen.
„Maar er zit ook een angstaanjagende kant aan waanzin, die de wereld in chaos verandert, een kant die iedereen in zichzelf herkent. Maar dat is te confronterend. De hakenkruizen en wreedheden in het werk werden daarom weggehouden van het publiek.”
Wat Schüssler ook verbaasde, was dat niemand anders kritiek had op het bewind. Journalisten en toeristen kregen een vast parcours langs de leuke hoogtepunten van de kliniek. Als zij mensen aanbood andere dingen te laten zien, wilden ze dat niet. Ze wilden alleen het succesverhaal horen. In de inrichting is ze inmiddels persona non grata.
Schüssler: „Voor wie is het een succes geworden? De situatie van de patiënten wordt er niet beter van, al krijgen zij een groot deel van de opbrengst op hun rekening gestort. Wie ervan profiteert, is directeur Feilacher, die in plaats van psychiater kunstmanager is geworden. Hij geniet landelijke bekendheid, wat zijn carrière als beeldhouwer ondersteunt. Ook de inrichting wordt er beter van. Van de zomer is met geld van de provincie een museum geopend naast het Haus der Künstler. De galerie doet goede zaken door het percentage dat ze van de verkoopprijs opstrijkt.”
Alexandra Schüssler: Wahnsinn auf Papier und Leinwand. Het proefschrift is te downloaden op www.dare.uva.nl. Een commerciële editie is in de maak.
Info over het Haus der Künstler: www.gugging.org
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.