recensie
Regie: Emilio Estevez. Met William H. Macy, Sharon Stone, Demi Moore, Helen Hunt, Martin Sheen, Anthony Hopkins, Heather Graham, Elijah Wood en Emilio Estevez. In 18 bioscopen.
Robert Altman is dood. Maar het genre van de mozaïekfilm wordt gelukkig steeds opnieuw beproefd. Hollywood-acteur en debuterend regisseur Emilio Estevez doet een aardige duit in het zakje met ’Bobby’, waarin hij terugkeert naar 5 juni 1968, de dag waarop Robert F. Kennedy naar het Ambassador Hotel in Los Angeles kwam, en na zijn toespraak net na middernacht, dus op 6 juni, werd vermoord.
De titel, ’Bobby’, doet vermoeden dat het om een ’biopic’ gaat, waarin het leven van de populaire senator, die in de running was voor democratisch presidentskandidaat, wordt uitgespit. Gelukkig trapt Estevez niet in die val. RFK is in de film vooral op archiefmateriaal te zien. We zien een 42-jarige, slanke, charmante, goedlachse man die mooi samenvalt met de troetelnaam Bobby. Estevez heeft zo veel sympathie voor deze man, dat hij ook wel wil suggereren dat Amerika beter af was geweest als Bobby president was geworden, en niet de Republikein Richard Nixon.
De laatste toespraak die de jonge, bevlogen Kennedy gaf, en die aan het slot van de film over de aftiteling heen is te horen, is inderdaad fascinerend. Je krijgt er kippenvel van. Hij leek te weten waarin Amerika verzeild was geraakt, met de oorlog in Vietnam en de moord op Martin Luther King voorop.
Ondertussen zoemt Estevez in op het leven in het hotel. Ruim twintig personages komen voorbij, van Sharon Stone als de oud geworden, hoogblonde hotelkapster tot Demi Moore als de verlopen, diva-achtige hotelzangeres.
Estevez toont het ploeterende keukenpersoneel met William H. Macy als de manager die er voor pleit dat zijn personeel vrij moet krijgen om te stemmen. Voor al deze mensen, jong en oud, wit en zwart, illegaal, overspelig, drankzuchtig, depressief, vrolijk en verliefd, zou Bobby volgens Emilio zijn opgekomen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.