*

 

Spelenderwijs groot worden

Jann Ruyters − 02/06/07, 00:00

recensie Van kwetsbare buitenstaander tot arrogante gymnasiast: in ’Spel’ schetst Stephan Enter hoe een jongen groot wordt: niet zonder conflicten.

Onder jongens gaat het, als ze spelen, al gauw om durf en bluf; om de vraag of je meegaat met de groep of trouw blijft aan jezelf; om de triomf van de sterkste en de afgang van de zwakkeren. Dat kan een eenzaam gevecht zijn, begrijp je uit ’Spel’, het derde boek van Stephan Enter, die eerder een Librisprijs-nominatie ontving voor zijn verhalenbundel ‘Winterhanden’ en voor zijn roman ‘Lichtjaren’.

De coverfoto van ’Spel’ geeft al iets van die eenzaamheid weer: we zien een jongen die alleen een donker bos in wandelt. Een nevelige groene weide ligt achter hem, de donkere schaduw van het bos voor hem valt over zijn gezicht. Het geheimzinnige bos roept bij de kijker fantasieën op van indianen en spannende wedstrijdjes met stokjes die je in een beek gooit, maar ook van duisternis en dwalingen; hoe je je moet verhouden tot de anderen bijvoorbeeld, juist degenen die sterker zijn.

In twaalf losse hoofdstukken, korte verhalen meer, schetst Stephan Enter het leven van de jongen Norbert Vijgh – van ongeveer zijn negende tot ongeveer zijn negentiende. Enter maakt van de schuwe Norbert geen Kees de jongen die al dromend steeds als held weet te ontsnappen, integendeel, hij laat Norbert diverse malen vrij hardhandig op eigen en andermans wreedheid en onbeholpenheid botsen.

Dat gebeurt al direct in het prachtige eerste hoofdstuk, waarin de door Old Shatterhand en Tangua gefascineerde Norbert bij toeval kennis maakt met een pikzwarte Afrikaan die tijdelijk in zijn dorp logeert. Een aantal schuchtere ontmoetingen volgt: de communicatie tussen de in verlegenheid verstarde jongen en de vriendelijke man verloopt niet simpel. De Afrikaan spreekt vogeltaal, volgens Norbert. ’Frwaeh?’ vraagt de man, klappertandend. ’Soefi Ali’, zegt hij op zijn borst prikkend. Ondanks zijn vreemde verschijning raakt Norbert overtuigd van hun bloedbroederband. Hij maakt van de man een pion in zijn spel, maar botst daarbij met zijn vriendjes die hun eigen opvattingen hebben over de exotische vreemdeling.

Het experiment van het opgroeien; het aftasten en (soms vals) beoordelen van nieuwe situaties, is het thema in alle twaalf hoofdstukken; Norbert ontwikkelt zich van gevoelige buitenstaander tussen de vriendjes uit de buurt - die later naar de lts zullen verdwijnen - tot een gymnasiast die in de klas mee de dienst uitmaakt.

Soms is het moeilijk te geloven dat die kwetsbare jonge scholier en die arrogante gymnasiast dezelfde zijn, maar Enter overtuigt wel in de precisie waarmee hij beide fases van binnenuit belicht; als een secuur etnograaf met scherp oog voor detail.

Een expliciet moreel oordeel laat de schrijver achterwege, dat houvast is er ook nog niet. Dat achter alle indrukken een in goed en kwaad gerangschikte wereld schuil gaat is aan de lezer.

Die krijgt tussen de regels voldoende aanwijzingen voor een meer politieke invulling, zoals in de terugkerende klassenstrijd tussen lts-ers, asocialen en gymnasiasten, of die tussen Norberts geadoreerde, chique grootmoeder ( ’een vrouw uit een boek van Couperus’) en zijn modernere ouders.

Elk hoofdstuk van dit boek is gewijd aan een ander spel - en dat wordt beheerst door krachtmetingen. Zo beschrijft Enter ook de botsing tussen puber en leraar in ‘Stoelendans’. Het treiteren van de leraar is welhaast een heilig moeten, een machtsstrijd waaraan door de op de spanning in de klas meedeinende puber amper weerstand kan worden geboden: „Het was geen teken van onmacht om op het bloed van een leraar uit te zijn, maar juist van kracht, van bezieling, van vrijheidsdrang. Wij wisten dat. Onze leraren kennelijk niet.”

Norbert is soms een ’ik’, soms een ’hij’, soms een ’jij’, maar steeds brengen fysieke sensaties zijn ervaringen tot leven: de zomerse hitte (’zo’n dag waarop de lucht die je inademt stroperig wordt’), de onbestemde gewaarwordingen tijdens de kerkdienst (’de licht schimmelige atmosfeer die de houten banken en grijze stenen vloer uitwasemden’), het grote drama van de eerste kus (’je lippen werden kurkdroog terwijl je handen juist van klei leken’). Die sensaties maken van ‘Spel’ een heel bijzondere tintelende reflectie op kindertijd en jeugd; in sfeer en gevoeligheid zeer herkenbaar ook.

mailIcon print |