Molens zijn als schildersmotief altijd al populair geweest. Het Bredius Museum toont een overzicht in dit ’Jaar van de molen’.
Bezoekers van het Bredius Museum in Den Haag, waar in de schaduw van de tribunes voor het Festival Classique de expositie ’Meesters en molens’ werd geopend, zijn bij voorbaat gewaarschuwd: Ruisdaels beroemdste molens, die van Wijk bij Duurstede en het duo watermolens in het Getty in Los Angeles, hangen niet op de Lange Vijverberg. Ook het bekende molengezicht langs de Zaanse Schans van Claude Monet dat door het Van Gogh Museum in Amsterdam is verworven, en de prachtige, maar wat minder bekende ’Watermolen bij Singraven bij Denekamp’ van Meindert Hobbema in de National Gallery in Londen ontbreken. Toch mist de bezoeker deze werken geen moment.
Het aanbod van wat wel geselecteerd kon worden is zo uitgebreid dat op een gegeven moment de idee postvat dat hier van een heus thema in de schilderkunst – zeker in die van de 17de eeuw waar op de tentoonstelling niet eens het accent is komen te liggen – sprake moet zijn. Zo is het uiteindelijk niet, want molens werden vooral, zij het prominent, als stoffering in een landschap meegenomen. Maar eigenlijk zijn ze in alle tijden een populair schildersmotief geweest, vanaf Rembrandt, die ze vooral in zijn etsen opnam, tot diep in de 20ste eeuw, toen de vroeg-modernen als Mondriaan en Sluijters er spannende voorstellingen van maakten. De samenstellers konden dus een keus maken uit een overvloedig aanbod dat uiteindelijk ook tot een ris verrassingen heeft geleid.
Zo’n schilderij dat maar weinigen zullen kennen, hangt normaal in het hoofdkantoor van de Vereniging De Hollandsche Molen in Amsterdam, dezelfde organisatie die er (mede) voor heeft gezorgd dat 2007 het ’jaar van de molen’ is geworden. Deze vereniging werd in 1925 opgericht, in een periode dat de molen in Nederland met uitsterven werd bedreigd. Dat feit greep in hetzelfde jaar ook de bekende Amsterdamse Joffer Lizzy Ansingh aan. Ze verbeeldde haar visie op de bedreigde molenstand in een mensachtig kijkende molen die moet toezien dat de molensteen zo dadelijk zal worden weg gewield door een trio sinistere figuren. Tegelijkertijd moet hij met zijn wieken een groep boosaardige wezens rondwentelen. Een dappere ridder komt te hulp, naar de mode van de tijd rent hij keurig over de diagonale as naar de reeds centraal geplaatste molen, om die met zijn pen van dienst te zijn. In de ridder is de toenmalige oprichter en eerste directeur van de Vereniging De Hollandse Molen in de persoon van Piet van Tienhoven, ook de vriend van de schilderes, te zien.
Precies dezelfde centrale plek neemt de molen in een schilderij van Paul Gabriël uit 1888 in. Gabriël, lid van de Haagse School en net als zijn collega’s vaak in het weidelandschap van westelijk Nederland te vinden, heeft de molen in de buurt van Kortenhoef met mathematische precisie weergegeven. Alle lijnen in deze voorstelling, van paden, oevers en horizon, leiden naar het hart van de molen die zich ook nog eens spiegelt in het slootje dat tot aan de onderbouw komt.
De strikte geometrie moet Piet Mondriaan zijn opgevallen toen hij veel later, namelijk in 1904, een molengezicht in het Brabantse Heeswijk op doek zette. Mondriaan vertoonde in die tijd al de neiging tot een wat meer geschematiseerde oplossing van het vormprobleem. Mondriaan trekt alle lijnen net als Gabriël naar het exacte middenpunt, waar zich in dit geval de entree tot de molen (een deur die uitgeeft op het balkon van een standerdmolen die op een gesloten voet staat) bevindt. Een verschil met de molen van Gabriël zit in het feit dat Mondriaan geen spiegelend wateroppervlak creëert, maar in plaats daarvan een onbestemd boerenlandje met een hekwerk afgepaald (een van de paaltjes staat dan ook keurig op de verticale middenas) weergeeft.
Ansingh (1875-1959) en Gabriël (1828-1903) waren representant van een tijd waarin schilders steeds minder vaak op zoek waren naar een dominant onderwerp voor hun schilderijen. De Haagse School mocht zich dan de legitieme erfgename van de Hollandse landschapsschildersgeest uit de 17de eeuw wanen, dat betekende nog niet dat de in die eeuw ontstane genres nauwkeurig werden nagevolgd. Er staan opvallend veel molens in de schilderijen en aquarellen van schilders als Gabriël, Maris, Tholen, De Bock en Apol, maar het zijn altijd aanleidingen om een pittoresk gegeven op een schilderkunstige wijze uit te beelden.
In feite was dat al in de 17de eeuw het geval. Onderzoek van molendeskundigen (die met een fraai woord molinologen worden genoemd) heeft uitgewezen dat van de befaamde molen van Ruisdael bij Wijk van Duurstede topografisch gezien weinig of niets klopt. Hoe anders was dat niet in de tussenliggende 18de eeuw, toen menig tekenaar een rondgang over het platteland maakte en met veel gevoel voor topografische juistheid allerlei gebouwen, waar onder ook veel molens in beeld bracht.
Voor de molenliefhebber zal het werk uit deze periode waarschijnlijk het boeiendst zijn, maar de kunstliefhebber komt pas echt met de moderne reacties op het dan al drie eeuwen lang beproefde onderwerp aan zijn trekken. Het is een spannende gedachte dat de Nederlandse vernieuwers van de schilderkunst (Mondriaan, Sluijters, maar ook Adriaan Lubbers) zich met zo’n door en door Hollandse traditie van het molenschilderen hebben beziggehouden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.