recensie
Maurizio Pollini, piano. Op 4/2 in Concertgebouw Amsterdam.
Maurizio Pollini is vorige maand 65 jaar geworden. Het is voor hem reden om door de wereld te trekken met twee totaal verschillende en zware recitalprogramma’s die hij kort na elkaar uitvoert. Zondag speelde hij het eerste, geheel aan Chopin gewijde programma in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw. Twee weken later zal hij in dezelfde zaal het tweede programma uitvoeren met twintigste-eeuwse muziek en Liszt.
Pollini’s verjaardagsconcerten worden door pianominnend Nederland met argusoren gevolgd. Decennia lang gold Pollini namelijk als de meest solide pianovirtuoos van zijn tijd, die onverstoorbaar, genadeloos en quasi emotieloos de noten blootlegde, ontdaan van valse romantiek, met de strakheid van Italiaans design.
De laatste jaren werd zijn spel echter explosiever en onberekenbaarder. Februari vorig jaar verliep zijn Beethoven-recital in Amsterdam zelfs ronduit dramatisch: onverwacht slordig en gehaast spel leverde de gevierde pianist boegeroep op. De vraag drong zich toen op: is dit een incident, of gaat de maestro achteruit? Een eenduidig antwoord was zondag niet direct te geven. Pollini viel geen boegeroep ten deel; des te luider schalden de ’bravo’s’. In alle opzichten was dit concert ook beter dan dat van vorig jaar. In de Prélude in cis en de twee Nocturnes was het meesterschap weer ten volle aanwezig. Hij deed dit zonder opsmuk, gedetailleerd met de neiging meer op de structuur te letten dan op een exquise klankkleur. Door deze opengewerkte en heldere benadering onderscheidde hij zich destijds van de sentimentele Chopin-specialisten uit het midden van de vorige eeuw. Hij weet daar nog altijd mee te boeien.
Chopins Sonate nr. 2 in bes draagt het gevaar in zich mee van de overdadigheid in tempi en kracht, waar Pollini in het verleden nogal eens toe verviel. Zondag hield hij zich echter zo in, dat de uitvoering bijna timide overkwam. Hier manifesteerde zich enige onbalans tussen linker- en rechterhand: vaak klonk rechts net iets te zwak of onhelder en de technische rafeltjes traden ook het meest in deze hand op. Interpretatief weinig overtuigend was de Marche funèbre. Deze klonk onrustig, doordat Pollini het stereotype, gepuncteerde treurmarsritme niet consistent speelde: de ene keer klonk het korte nootje beduidend langer dan de andere keer. Was dit een bewuste keuze of toeval? Hoe het ook zij, het ontnam het onverbiddelijke en ijzingwekkende aan deze doodsmuziek.
Ritmische onrust en een tendens om te vroeg op de eerste tel van de volgende maat te belanden, ontsierden na de pauze Pollini’s verder respectabele uitvoeringen van de Ballade nr. 2 en het Scherzo nr. 3. Deed hij dit opzettelijk of was hij gewoonweg nerveus? Zeker veel en veel te haastig klonk de bekende ’Regendrop-prélude’, Pollini’s eerste toegift. Het slotstuk, de Polonaise in As, en ook de tweede toegift, de Ballade nr. 1, waren de onbetwiste toppers van deze avond, waarin Pollini zijn oude technische surplus, allure en kracht volledig hervond. Ten opzichte van vorig jaar was dit optreden een revanche, maar of Pollini zijn oude glans nog heeft moet hij nog bewijzen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.