recensie Bisschop Bekkers was een uitzonderlijk begripsvol prelaat die de tekenen des tijds verstond, schrijft Jos Palm. Maar ook hij kon het verval van de katholieke kerk niet verhinderen. Het mooie fotoboek over Bekkers brengt de vreugde uit de jaren vijftig en begin jaren zestig terug, het geluk dat de priester bracht.
De foto’s in het boek roepen een wereld op die alleen nog in de herinnering bestaat. Mannen met een wit boordje om vullen het beeld. Ze dragen een rok en roken een sigaar. Superieur en zelfbewust staan ze er priester te zijn, te midden van de gelovigen, pagina na pagina.
In de katholieke kerk die in ons land zo goed als verdwenen is, maakten ze eeuwenlang de dienst uit, tot in de jaren zestig van de vorige eeuw. Hun woord was niet zozeer wet, maar veeleer waarheid. Ze bezaten namelijk de sleutel tot de hemel. Al hun gezag, al de hen toegedichte kwaliteiten waren een afgeleide van die ene geheimzinnige kwaliteit. Het bezit ervan maakte ze onaantastbaar in een gemeenschap waar iedereen zich als het ware een heel leven lang aan het warm lopen was voor het eeuwige leven.
De roomse werkelijkheid stond in het teken van dat ene, grote uitgestelde cadeau, waarop men al wel werd voorbereid met ‘pakjes’, voorproefjes op wat komen ging, variërend van Christuskleurplaten tot huisaltaartjes en wierookvaatjes. De priester had de hoofdrol bij die aanloop vol jubel en glorie.
Dat gold voor de latere bisschop Rinus Bekkers, hoofdpersoon van dit fotoboek, evenzeer als voor zijn tijdgenoten in de Heer. Hij had de macht om uit te delen. Hij, en niemand anders, haalde tijdens de mis de hostie uit een kastje, het lichaam van Christus dat je tong deed proeven van de grote belofte van de kerk; hij gaf je, na de biecht, de absolutie, die je niet kon missen wilde je het grote geschenk eens deelachtig worden. In de nabijheid van een priester zijn, betekende een stapje dichterbij het bovennatuurlijke zijn. Zo werd dat onder katholieken gevoeld. Op de gewenste priesterlijke betovering werd, door ieder naar mogelijkheden, geanticipeerd.
Mijn moeder droeg elke zaterdagnamiddag een van de kinderen op een zelfgebakken cake van haar hand af te leveren op de pastorie, waarvan het trappenhuis, dachten wij, als zes- en zevenjarigen, reikte tot in de hemel. En, heel veel later, toen de kerk allang een randverschijnsel was geworden, hoefde de laatste roomse priester die mijn vader had opgeduikeld om in zijn geloof te kunnen volharden, maar te wenken of mijn vader stond al klaar. Nog als zeventigjarige lag hij onder de auto van ‘de monseigneur’ te sleutelen, opdat deze op zondag naar een van zijn ‘echte katholieke’ schuilkerken kon rijden. Geoefend als hij een heel leven lang was in wederdiensten bewijzen voor die ene onbetaalbare dienst van de pastoor kon en wilde hij niet anders.
Wij, en met ons hele generaties katholieke kinderen, hadden ‘Jezus in ons hartje’, dankzij de priester; dat we bestonden -– met z’n zessen, het had met z’n achten kunnen zijn –- was het gevolg van de leerstelling dat de liefdesdaad in dienst stond van de procreatie, zoals de priester tijdens de preek uitlegde. Iedereen had alles te danken aan de priester, het leven nu en het leven straks. Zoals wij, kinderen, geloofden, en zoals mijn ouders procreëerden, deden talloze katholieken dat in Nederland, omwille van de kerkelijke zegen die er op rustte en die altijd kwam uit de handen van de pastoor of kapelaan.
Wat de priester aanraakte, werd goud. Die overtuiging tekende een tijdperk. Ze spreekt ook uit dit dikke fotoboek over het leven van monseigneur Bekkers, de bisschop die in Nederland door gelovigen en niet-gelovigen werd vergeleken met Johannes XXIII, de paus die met het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) de verstarde kerk met haar holle geloof bij de tijd wilde brengen.
Alleen: van die verstarring en holheid is in het fotoboek niet zoveel te merken. Niet de treurnis, kommer en kwel van biechtstoel en gebedsdwang, die de bevrijde herinnering nu eenmaal kleurt, maar de sfeer van roomse blijheid trekt pagina’s lang voorbij aan de lezer die ooit behoorde tot de gemeenschap van de ‘beminde gelovigen’. Door de grotendeels zwart-wit platen heen ziet hij de kerk van zijn jeugd tot leven komen. En ook al werd Bekkers, zoals de lezer tot in zijn botten weet, als bisschop voorwerp van nationaal-katholieke verering, de foto’s tonen toch allereerst een soortgenoot van kapelaan Odekerke (de hoofdpersoon uit de nostalgische KRO-tv-serie 'Dagboek van een herdershond') of van Don Camillo, de verbeelde Italiaanse dorpspastoor die met de gekruisigde heel gewoontjes in streektaal sprak.
Te zien is de Brabantse priester Rinus Bekkers die te midden van een apetrotse en op zijn paasbest geklede familie de wijding ontvangt, die met wijwaterkwast wielrenners zegent, die glimlachend de dorpsmannen op Sint Hubertusdag ten jacht laat gaan, en die in zijn bisschoppelijke woonkamer gasten ontvangt zoals zijn moeder thuis dat ook zou hebben gedaan, dus met koffie en rokerij, geserveerd op een bont tafelkleed. Geluk, gecentreerd rond de priester, zoals dat voor katholieken van de generatie van mijn vader en moeder heel gewoon was. Dat is wat de foto’s tonen. Het is de vreugde uit de jaren vijftig en begin jaren zestig die even vertrouwd als ver weg is, en die wellicht op vergelijkbare wijze gestalte kreeg bij de gereformeerden als ze bijeen zaten rond De Schrift en bij de socialisten als ze zich tezamen schaarden op de eerste mei.
Wanneer zijn de katholieken opgehouden te geloven in gebaren en taal van de priester, en waarom werd het eens zo overtuigende woord ogenschijnlijk van het ene op het andere moment als leeg en hulpeloos ervaren? Dat zijn de vragen waar katholieke historici tot op heden nog niet over uitgeschreven zijn. Gedurende Bekkers' priestertijd was het woord en de bedienaar ervan nog onbetwijfeld, zoals het fotoboek prachtig illustreert. ,,Zijn eenheidsdialect was zijn sacrale, rituele taal, zijn Latijn voor niet-liturgisch gebruik, waarin het grote weten joviaal verborgen werd'', schreef de katholieke filosoof Cornelis Verhoeven ooit treffend over het type priester dat van de Brabantse priesterfabriek, het grootseminarie Beekvliet, afkwam. Als product van die ’school’ is Bekkers op de foto’s ook te zien (‘je kon het Brabants aan hem horen’, schrijft historicus Gerard Rooijakkers in zijn mooie inleiding). Bekkers was als kapelaan, als pastoor en als bisschop bovenal de priester die geluk uitdeelde en die het geluk dat hem vanuit de gelovige gemeenschap tegemoet straalde met een vanzelfsprekend gemak ontving.
Dat mechanisme van wederkerige bevestiging vertoonde ernstige slijtageverschijnselen rond het midden van de jaren zestig. In de tijd dat André van der Louw de hoogdravende Arbeiders Jeugd Centrale (AJC) verruilde voor het blote popblad Hitweek, werd ook van de kerk een minder geritualiseerde houding tegenover het leven verwacht. Bijna heel Nederland, katholieke en protestantse kerk en socialistische beweging, was in een plechtstatig bad vol onwereldse belofte ondergedompeld geweest. Dat levenswater voldeed niet meer. Het ‘vergeten’ lichaam, ook dat van de katholiek, vroeg om aandacht.
De grote verdienste van bisschop Bekkers was dat hij die behoefte serieus nam. Hij zocht naar de woorden die de kerk niet had en die ze welbeschouwd ook niet kon hebben, getraind als instituut en gelovigen waren in de sacrale en ideële werkelijkheid van eeuwen her.
Het is ook geen toeval dat twee van de drie inleiders van het fotoboek (bisschop Bluyssen en historicus Peter Nissen) expliciet verwijzen naar de roemruchte Brandpuntuitzending van 21 maart 1963, waarin Bekkers omzichtig en omfloerst oppert dat de gelovige ook wat te zeggen mocht hebben over de eigen lendenen (ten onrechte zou de toespraak bekend komen te staan als pro-pil). Het was hét moment van een uitzonderlijk begripsvol prelaat die de tekenen des tijds wilde verstaan, ter wille van het behoud van zijn kerk en haar gelovigen. Tevergeefs, bleek achteraf. Bekkers zelf, die zoals alle inleiders ook schrijven traditioneel was tot in zijn vezels, sprak niet de lichamelijke taal die in Nederland weldra gemeengoed zou worden, en zijn instituut had voornamelijk angst ervoor.
Mijn ouders hadden overigens geen boodschap aan de ‘bevrijding’. Ze waren midden jaren zestig op middelbare leeftijd en uitgeprocreëerd. In Bekkers moet mijn moeder de beste vertegenwoordiger hebben gezien van de priesterkaste die op uitsterven stond, alle herinneringsuitgaven naar aanleiding van zijn vroegtijdig overlijden in 1966 pronkten in haar boekenkast. Generaties na haar, zullen in hem ‘de man van het bevrijdende woord’ hebben gezien. ,,Bekkers was de Bossche bisschop die in het katholieke Nederland van de jaren zestig het verschil maakte'', schrijft Gerard Rooijakkers.
Dat mag voor die tijd waar zijn geweest, maar het heeft de kerk niet gered. Dankzij Bekkers voorzichtig ontkoppelen van liefdesdaad en procreatie, mocht ze nog een aantal jaren doorspelen, in blessuretijd, weten we nu.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.