*

 

Onder water

Henny de Lange − 01/12/07, 00:00

In het werk van Zeger Reyers zijn groei, bloei en verval belangrijke thema’s. Zijn kunst vergaat vanzelf.

Op een videoscherm in een van de zalen van het Gemeentemuseum Den Haag speelt zich iets ondefinieerbaars af. Je weet in eerste instantie niet waar je naar kijkt. Je ziet rimpelingen en vage contouren voorbij schuiven. Langzaam dringt door dat de camera dingen heeft vastgelegd die zich onder water bevinden en soms even de oppervlakte beroeren. In de vage contouren herken je palingen. Het zijn beelden waar je naar blijft kijken, omdat zich telkens iets anders voordoet zonder dat je het meteen kunt duiden.

„Er staat niet voor niets een bankje voor het scherm”, zegt Zeger Reyers (1966, Voorburg). De beelden intrigeren, maar ook mensen die ruim de tijd nemen snappen niet hoe de kunstenaar te werk is gegaan en wat hij precies heeft gefilmd. Eigenlijk wil Zeger Reyers dat ook niet vertellen. Daarmee zou hij doorkruisen wat hij beoogt met zijn werk. „Ik wil simpelweg verwondering wekken. Verwondering over wat je ziet als je op je buik in het gras gaat liggen met een vergrootglas en ontdekt dat je daarvoor niet eens met je auto naar het bos hoeft te toeren. Ik denk dat verwondering ook het hoogst haalbare is voor een kunstenaar. Verwondering die zich vastzet en doet nadenken, na jaren kan die verwondering nog steeds bovenkomen. Als ik nu ga vertellen hoe ik deze video heb gemaakt, haal ik een deel van die verwondering weg, dus dat moet ik maar niet doen.” Maar een minuut later vindt hij dat ook een beetje flauw. „Bij de opening van de tentoonstelling heb ik ook verteld hoe deze film tot stand is gekomen.”

Het heeft allemaal te maken met zijn fascinatie met water en de onderwater wereld. Als jongetje had hij al aquaria die hij inrichtte als de bovenloop van de Amazone, een sawa of een Hollandse boerensloot. Later ging hij duiken, omdat hij de wereld onder water zo aanlokkelijk vond. Een paar jaar geleden liet hij voor zijn werk Aqua Boogie, de laagst gelegen zaal van het GEM, Museum voor actuele kunst in Den Haag, onderlopen met gitzwart water. Bezoekers konden over een loopplank naar houten vlonders schuifelen en zagen af en toe rimpelingen in het wateroppervlak, veroorzaakt door de zwarte karpers die onzichtbaar in het tijdelijke bassin rondzwommen. Volgens Reyers had deze nieuwe biotoop meer bestaansrecht dan de kunstmatig gecreëerde functie van museumzaal. De zaal ligt zo ver onder het maaiveld, dat er pompen aan te pas moeten komen om de ruimte droog te houden. Eigenlijk had Reyers de bassins willen vullen met palingen, kluwens tegelijk ingepakt in witte overalls met dichtgenaaide mouwen. Maar palingen zijn minder beweeglijk dan hij had verwacht, en daarom werden het karpers. In zijn nieuwste werk, de video Aqua Boogie II, die hij gemaakt heeft ter gelegenheid van de Ouborg Prijs die hem deze maand werd uitgereikt, komen alsnog palingen voor. Palingkweker Joh. Kuijten uit Spaarndam wilde wel meewerken. Omdat palingen van nature niet echt levendig zijn, moest een truc worden bedacht om het water te laten rimpelen. Reyers maakte een linnen doek vast in het houten frame van een schilderij en bewoog dat door het palingbassin op en neer. Op de film levert dat raadselachtige rimpelingen en prachtige effecten op.

Alleen de film is het tastbare bewijs van deze installatie. En zo gaat het eigenlijk met al zijn werk, waarin naast water en de onderwater wereld groei, bloei en verval belangrijke thema’s zijn. „Ik ben een ontzettende estheet en daar ook constant mee in gevecht, maar ik werk vooral met dingen die in principe niet esthetisch zijn.” Kenmerkend voor zijn (soms ook eetbare) kunst is dat deze vanzelf vergaat. Reyers is vooral bekend geworden door zijn installaties waarbij hij ruimtes en voorwerpen liet begroeien met paddenstoelen en schimmels. De schoonheid van zwammen ontdekte hij bij toeval. In de oude auto van een vriendin van de Willem de Kooning Academie in Rotterdam, waar hij van 1990 tot 1995 studeerde, groeide ineens een paddenstoel uit de zitting van de achterbank. Hij ging te rade bij een vriend die paddenstoelen kweekte, omdat hij veel meer toepassingen zag voor zwammen. Hij liet oesterzwammen groeien uit meubilair, brandslangen, cassetterecorders, boeken en platenspelers. Eetbare zwammen, wel te verstaan. Het procedé is simpel, legt hij uit. Cellulose is een belangrijke voedingsbron voor schimmels en zwammen. En die stof zit vooral in hout, boeken en stro. Als dat er niet is, gebruik je samengeperst stro als basis. En dan de boel goed vochtig houden. Het meest ’heftig’ vond hij de keer dat hij zwammen liet woekeren in een kinderkamer en de knuffeldieren die daar op de commode stonden. „Het was prachtig, maar vergankelijkheid in een kinderkamer roept ook tegenstrijdige gevoelens op.”

Een logisch vervolg hierop was de mosselstoel, eveneens vergankelijke maar ook eetbare kunst. Daarvoor liet hij Parijse terrasstoeltjes in de Oosterschelde zakken, die hij weer naar boven haalde toen ze volledig begroeid waren met mosselen. De mosselstoeltjes zette hij vervolgens in een speciaal ontwikkelde kookpan met wijn, waarna het publiek de mossels dagvers van de stoel kon plukken en eten.

Aanvankelijk voelde Reyers er niet zoveel voor om het proces van groei, bloei en verval van zijn installaties te fotograferen of te filmen. Het mooist is natuurlijk als het publiek dat allemaal met eigen ogen volgt. Geld interesseerde hem tot vier jaar geleden ook niet, vertelt hij, en over gebrek aan aandacht van musea in binnen- en buitenland heeft hij sinds hij van de Academie kwam, nooit te klagen gehad. „Maar ja, toen werd mijn zoontje Bruno geboren en inmiddels heb ik een gezin met twee kinderen waar ik voor moet zorgen. En toen kwam er ook nog een galeriehouder die graag iets tastbaars van mijn werk wilde verkopen. Dus nu ben ik er veel meer op gespitst om mijn werk vast te leggen.” Inmiddels heeft hij ook al een complete installatie verkocht, die overigens wel houdbaar is. Het Bouwfonds kocht de installatie Hard water die vorig jaar nog te zien was in het Haags Gemeentemuseum, en die bestaat uit een grote hoeveelheid wit Mosa porselein: borden, schotels en schalen die op chaotische manier op elkaar gestapeld zijn en doen denken aan zwammen die tegen de muur opgroeien. Ook ziet hij mogelijkheden om zijn met grassprieten begroeide luxaflex te verkopen. Dat lijkt hem prachtig als scherm in een tuin. Er was al een geïnteresseerde, maar die wilde de luxaflex vierhoog in de wind en de brandende zon plaatsen. „Dat is een moeilijke klus, maar binnen de kunst is niets onmogelijk.”

mailIcon print |