recensie Wie verhalen schrijft over de macht van de sleur, neemt een groot risico. Maar D. Hooijers luchtige toon en scherpe blik houden haar verhalen spannend.
’Sleur is een roofdier’ heet de derde verhalenbundel van D. Hooijer en de titel zet meteen de toon. Sleur verstikt de personages als een wurgslang. En dat terwijl er genoeg gebeurt in de verhalen. Van liefde tot moord, alles wat het leven heftig zou kunnen maken komt voorbij.
Sleur is een vorm van ongeluk die zich niet eenvoudig laat vastpinnen. Je zou denken dat het neerkomt op routine vermengd met verveling, maar bij Hooijer werkt het subtieler.
Dat merk je bijvoorbeeld in het verhaal over Radoslas, een impotente oude man. Hij koopt na zijn pensioen een nieuw huis en neemt zijn intrek in een kamer met badkamer. De rest van het pand verhuurt hij aan een lesbiënne. Hij wil geen bezoek ontvangen: „Mijn vrouw neemt aan dat ik veel tijd aan mijn vriendin besteed. Mijn vriendin denkt dat ik veel tijd aan mijn vrouw besteed.”
Waarschijnlijk wil Radoslas de sleur doorbreken, want het nieuwe huis betekent een breuk met zijn oude leven. Het helpt alleen niets: hij blijft zich vervelen. Uiteindelijk worden hij en zijn huurster verliefd op dezelfde hoerenmadam, maar die verdwijnt spoorloos en dan is hij terug bij af. „Denk eens wat redelijks, en doe eens wat”, mompelt hij tot zichzelf.
De meeste hoofdpersonen roepen de sleur over zichzelf af. Ze zijn weinig voortvarend, maken zelden serieuze afwegingen en verzeilen in een saai huwelijk of worden stamgast in een treurig café. Dan zet de sleur zijn tanden in hun leven en laat niet meer los. Ze zitten vast, hoe ze zich ook verzetten en wat er ook gebeurt. De routine, de kiem van hun ongeluk, blijkt niet langer vereist. De sleur blijft alomtegenwoordig, zelfs als de personages de gewone gang van zaken doorbreken.
Er spelen nog genoeg andere themas’s een rol in de verhalen van Hooijer, maar de sleur vormt toch de rode draad. Een gevaarlijke draad, dat moet gezegd. Voor je het weet gaapt de lezer met de hoofdpersonen mee en slaat hij het boek dicht. Hooijer kuiert af en toe dicht langs de rand van de afgrond, maar houdt haar evenwicht.
Dat dankt ze vooral aan haar toon. Hoe dof de personages zich ook voelen, de schrijfster blijft luchtig klinken. Een vrouw heeft zich bijvoorbeeld ingeschreven voor een schildercursus en vertelt: „Ik heb al iets gemaakt, een blad van een boom en de lucht erachter. Zo begin je.” De schildercursus, bedoeld om creativiteit aan te boren, krijgt op slag iets voorspelbaars, iets tragikomisch door ’zo’ te beginnen; ’zo’ zal het ook eindigen.
Ach, wat staan er veel mooie passages in de bundel. Nog één voorbeeld, uit het titelverhaal. Daarin hoort de mannelijke ik-persoon ene Georgine schamperen over de integere oogopslag van zijn vrouw Gwenn. „Het was voor het eerst dat ik iets negatiefs over Gwenn hoorde en het stak mij. De opmerking haakte zich in mijn hart al begreep ik dat Georgine bij de mensen hoorde die niet de slechte eigenschappen van hun vijanden belachelijk maken maar hun goede.”
Het enige serieuze bezwaar tegen de bundel is dat de verhalen iets vluchtigs houden. De mooie passages staan niet in een dwingend verband. Een vrouw wordt bijvoorbeeld van de trap geduwd en beschuldigt vlak voor ze in coma raakt voor de grap de verkeerde man. Ze komt bij, neemt haar woorden terug en zakt weer weg. Er ging een heel verhaal aan vooraf en er volgt nog het een en ander, maar het blijft naar willekeur smaken.
Misschien is dat een prijs die Hooijer graag betaalt voor haar personages. Ze zadelt hen op met een soort omgekeerde koning-Midas-vloek: alles wat ze aanraken verandert in sleur, in plaats van goud. Of ze nou het één of het ander kiezen, het helpt hen niet echt verder.
Volgens een arts uit het titelverhaal zijn vooral lieve mensen gevoelig voor sleur. „Ik ben ook lief hoor”, roept de ik-figuur uit. De arts antwoordt: „Zeker, zeker. Maar dan wordt het begrip “lief” wel rekbaar hè?”
In feite claimt de ik-figuur zijn gevoeligheid voor sleur. Vervolgens prikt de arts het begrip ’lief’ lek. Iedereen is lief, iedereen valt ten prooi aan de sleur. Sleur is het beest in de mens.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.