recensie Al eerder beschreef de Ierse O’Brien hoe vrouwen zich los moeten maken van knellende banden – van hun moeder, van jaloerse mannen. Maar haar puntige vroege werk heeft plaatsgemaakt voor een wijd uitwaaierend, ietwat waterig geheel. En daar heeft ze een bedoeling mee.
Het zou een scène uit de film ’Titanic’ kunnen zijn. Een jong, Iers meisje danst en flirt met jonge, Ierse mannen in de ruimte van een boot die arme emigranten van Ierland naar New York vervoert. Ze brengt afleiding in de overvolle, stinkende derde klas ruimtes. Maar dan neemt het verhaal een onverwachte wending. Het meisje blijkt zwanger. Ze bevalt op het schip, en wil niet zeggen wie de vader van de baby is, ook al dienen verschillende mannen zich aan. En dan laat ze het kindje in de golven vallen, waarschijnlijk met opzet, want alleenstaande moeders werden aan het begin van de vorige eeuw niet tot de Verenigde Staten toegelaten.
Dit is geen episode uit een Hollywoodfilm, maar een van de vertellingen uit de nieuwste roman van Edna O’Brien, een boek dat al even treurig begint als het verhaal over het meisje en haar baby: de bejaarde Dilly Macready ligt ter observatie in een ziekenhuis, en een kwaaie non heeft haar tegen haar zin een slaapmiddel toegediend.
Ze begint te dromen over de tijd die ze als jong meisje in Brooklyn heeft doorgebracht. Zij is het die het verhaal vertelt over het meisje met de baby, een mede-emigrante dus. Ze laat zich er verder niet over uit – het lijkt een incident te zijn geweest tijdens een lange, moeizame reis, meer niet.
Wat Dilly daarna beleeft, lijkt belangrijker, ook al klinkt het in eerste instantie even voorspelbaar als het verhaal over de flirtende Ierse. Ze vindt een baan in het huishouden van een rijk immigrantenechtpaar, maar de vrouw wordt jaloers en jaagt haar het huis uit. Dilly vindt vervolgens onderdak bij een gulle pensionhoudster, een weduwe.
Daar wordt ze verliefd op een mysterieuze Ier, die met houthakken zijn brood verdient, maar praat als een tweederangs dichter. Ze verloven zich, maar hij laat haar in de steek, denkt ze, en dan neemt ze de boot terug naar Ierland. Tegen haar wil trouwt ze daar met een boer die drinkt, haar mishandelt en door zijn goklust de boerderij naar de ratsmodee brengt.
Het verhaaltje over het meisje en haar baby valt hierbij natuurlijk in het niets. Maar O’Brien zou O’Brien niet zijn als die kleine vertelling niet een diepere betekenis zou hebben. Ingebed in de vele verhalen waaruit deze roman bestaat, is dit een metafoor voor de verhouding tussen moeders en dochters – een thema dat vaak voorkomt in de meer dan vijfentwintig boeken die O’Brien de laatste veertig jaar heeft geschreven.
In ’Avondlicht’ staat de verhouding tussen Dilly en haar dochter Eleonora centraal. Die is weliswaar niet letterlijk dodelijk, maar wel figuurlijk. In hun verlangen naar geluk en veiligheid snijden moeder en dochter elkaar voortdurend de pas af. Soms doen ze dat bewust, soms onbewust en ongewild, maar altijd is het de moeder die in blind egoïsme met haar dochter een volkomen twee-eenheid wil vormen om samen het kwaad van de wereld te weerstaan.
De dochter vlucht op vele manieren in de literatuur. Ze leest wat ze maar te pakken kan krijgen, en trouwt tegen de zin van haar ouders met een schrijver, die haar imponeert, maar geen letter meer op papier blijkt te krijgen. Als zijzelf begint te schrijven, kleineert hij haar pogingen en maakt hij haar belachelijk; als ze succes heeft met haar eerste boek, beweert hij dat hij haar bij het schrijven heeft geholpen. Hij verlaat haar en neemt hun twee zoons mee, die ze nog maar een paar keer per maand mag zien.
Zij beleeft kleine avonturen met andere mannen, die even veelbelovend beginnen als de vele romances waarover ze leest en dagdroomt, maar die altijd weer verzanden in de grauwheid van alledag. Knappe, vrolijke mannen ontpoppen zich als oude chagrijnen, betoverende charmeurs als treurige overspeligen die naar hun vrouw en kinderen verlangen. Daartussendoor probeert ze te ontsnappen aan de tentakels van haar moeder en stuurt ze haar, ter compensatie, steeds duurdere kado’s.
Dit alles komt overeen met O’Briens eigen leven, zoals vaker in haar romans. Met ’Avondlicht’ lijkt ze niet alleen naar de eerste veertig jaren van haar leven terug te grijpen, maar ook op ’Meisjes van buiten’, haar allereerste boek. Ook dat gaat over de verhouding tussen een moeder en een dochter, die bepaald wordt door de gemeenschappelijke angst voor een wrede man en vader.
In de tussentijd is uiteraard veel gebeurd, niet alleen op persoonlijk gebied, maar ook wat O’Briens manier van schrijven betreft. Haar eerste roman is scherp, puntig en geestig – het is een duidelijk, vastomraamd verhaal. ’Avondlicht’ waaiert naar alle kanten uit. Het bestaat uit brieven, dromen, dagboekaantekeningen en bewustzijnsstromen; het verandert steeds van perspectief en is soms gewild mysterieus.
Waar ’Meisjes van buiten’ een portret in medaillonvorm is, is ’Avondlicht’ een met veel te veel water geschilderd waterverfschilderij.
En toch. Dit waterverfschilderij mag dan oeverloos en chaotisch zijn, onder de in elkaar lopende kleuren bevinden zich wel degelijk duidelijke, zij het complexe lijnen: de onmacht van de moeder zich los te maken uit desastreuze verhoudingen, de overspannen verlangens van de dochter naar de perfecte liefde en hun beider kracht, die haaks lijkt te staan op hun machteloosheid. ’Avondlicht’, moet je concluderen, is geschreven door iemand die, door schande en schade wijs geworden, beseft dat het leven een heel ander verloop heeft dan de traditionele romans die haar hoofdpersoon zo graag leest. Hoewel er niets meer troost geeft dan een verhaal met een voorspelbare afloop en plot, bewijst O’Brien dat die troost altijd maar van korte duur is. ’Avondlicht’ laat zien dat het leven een constante stroom is van indrukken, ervaringen, herinneringen, verlangens en interpretaties – plotloos, maar daarom niet minder indringend en indrukwekkend.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.