*

 

Ongekende uitbarsting van haat en geweld

Peter van Nuijsenburg − 23/06/07, 00:00

recensie Hoe werd de twintigste eeuw zo’n orgie van geweld? Niall Ferguson ziet één oorzaak in het instorten van grote rijken als het Habsburgse, het Britse, het Chinese. Maar het is ook schokkend te lezen op hoeveel begrip Hitler lange tijd kon rekenen.

In de inleiding van zijn ’De Grote Oorlogen’ verwijst de Britse historicus Niall Ferguson naar de in 1898 verschenen sciencefictionroman van de schrijver H.G. Wells. ’The War of the Worlds’ (’Oorlog tussen de Werelden’) gaat over de invasie van een stad door indringers die op ongekende schaal dood en verderf zaaien. Het is een ’uitzonderlijk visionair boek’, zegt Ferguson. In de eeuw die volgde op de publicatie vonden de door Wells zo overtuigend beschreven gruwelen in werkelijkheid plaats.

Alleen met de daders zat Wells, als je het zo noemen mag, fout. In zijn roman zijn het Marsmannen die de bloedbaden aanrichten. In de echte wereld hebben aardbewoners daar geen figuren van een andere planeet voor nodig.

De vorige eeuw was de eeuw van de haat, aldus Ferguson. Natuurlijk, het was niet alleen maar moord en doodslag. Ferguson weet uiteraard ook dat er in de afgelopen honderd jaar enorme vooruitgang is geboekt op tal van terreinen. Het levenspeil van de meeste mensen is hoger dan ooit. Wetenschap en technologie hebben een aan het begin van de twintigste eeuw onvoorzienbare grote sprong voorwaarts gemaakt. De tandartsstoel is geen martelwerktuig meer. Maar toch, het alles overheersende waarmerk is de ongekende uitbarsting van haat en geweld, culminerend in twee wereldoorlogen, de Holocaust en de stalinistische terreur.

In ’De Grote Oorlogen’ gaat Ferguson op zoek naar de oorzaken van deze tragedies. Drie factoren blijken de hoofdrol te spelen: etnische spanningen, economische instabiliteit en het verval van multinationale rijken. En als deze drie elementen zich tegelijkertijd voordoen, ontstaat er een mengsel waarmee de hele tot dan nog bestaande ordening in een geweldige explosie in de lucht kan worden geblazen.

Die situatie deed zich in het begin van de vorige eeuw vooral voor in Midden- en Oost-Europa en het Verre Oosten. De bevolking in het gebied van de Baltische staten tot de Balkan, waar de Duitse, Russische, Habsburgse en Ottomaanse rijken tegen elkaar aanschuurden, was een lappendeken met grote etnische minderheden.

In redelijk stabiele tijden konden de politie en het leger doorgaans voorkomen dat Polen, Russen, Oekraïners elkaar of hun favoriete slachtoffers, de Joden, de hersens insloegen. Maar zodra de economie een van haar periodieke depressies doormaakte en de organen die voor rust en orde moeten zorgen door machtserosie werden ondermijnd, werd het onbegonnen werk.

Het wachten was tenslotte op de demagogen en ideologen die een lucifer bij het mengsel zouden houden. De grootste onder hen, Adolf Hitler, had zijn adembenemende carrière te danken aan het feit dat hij graag, en meestal met succes, met vuur speelde. Het is zeker geen toeval dat de Holocaust in deze regio heeft plaatsgevonden.

In het andere aandachtsgebied, het Verre Oosten, speelden aanverwante problemen. Het Chinese Rijk zonk weg in corruptie en incompetentie, en de Britse, Franse en Nederlandse koloniale rijken hadden te kampen met inheemse nationalisten, die zich steeds nadrukkelijker manifesteerden. In deze troebele wateren gooide het keizerlijke Japan zijn netten uit.

Dit theoretische model zou de leidraad moeten zijn bij de uitputtende behandeling (’De Grote Oorlogen’ telt exclusief index en bibliografie 771 pagina’s tekst) van wat er aan gruwelen is gebeurd tussen 1904, toen de Japanners hun imperiale avonturen begonnen, en 1953, toen een wapenstilstand een einde maakte aan de Koreaanse burgeroorlog.

Maar juist door die uitputtende behandeling worden die drie uitgangspunten zo overwoekerd door een wildgroei aan details, dat het overzicht verloren dreigt te gaan. ’De Grote Oorlogen’ had aan kracht gewonnen als een goede eindredacteur het snoeimes ter hand had mogen nemen.

Deze bezwaren worden goeddeels gecompenseerd doordat Ferguson zijn verhaal met veel vaart vertelt, en voorbeeldig met kaarten, grafieken en illustraties aanschouwelijk maakt. Ferguson is met name goed thuis in de financieel-economische achtergronden van de conflicten en weet die voortreffelijk van de juiste belichting te voorzien. De vertaling doet helaas niet altijd recht aan de oorspronkelijke tekst. Ze is hier en daar slordig en je krijgt de indruk dat er soms op de automatische piloot is overgeschakeld.

De deskundigen zullen in ’De Grote Oorlogen’ vermoedelijk niet veel nieuws ontdekken, en dat is niet verwonderlijk, omdat Ferguson een akker bewerkt die door talloze collega’s al vaak en grondig is omgeploegd,

Toch is het opnieuw verbijsterend de kroniek van kortzichtigheid te lezen, die als de appeasement de geschiedenis is ingegaan. De stelselmatige onderschatting van Hitlers aspiraties door politici als Chamberlain, de Britse eerste minister, en zijn Franse collega Daladier, blijft ook zestig jaar na dato beschamende leesstof.

Het snobistische antisemitisme van het Engelse establishment, het onuitputtelijke begrip voor Hitlers standpunten, de souplesse waarmee politici en diplomaten voor de nazi’s door de knieën gingen, en, uiteindelijk hun mateloze zelfbedrog; Ferguson brengt het overtuigend tot leven.

Zoals elke politieke crisis heeft ook deze haar gemiste kansen. In 1938 bereikte de appeasement zijn dieptepunt toen Tsjechoslowakije onder druk van Chamberlain en Daladier het Sudetenland aan Duitsland afstond en Hitler het idee kreeg dat deze zwakke broeders, ’verachtelijke figuren’, zei de Führer, alles zouden slikken. Juist dát was het moment geweest om met de nazi’s af te rekenen, schrijft Ferguson. Duitsland was economisch en militair nog lang niet klaar voor een oorlog.

’De Grote Oorlogen’ sluit in feite in 1953 af met de Koreaanse wapenstilstand. In een uitvoerig nawoord komen de Koude Oorlog aan de orde, die maar al te vaak ontvlamde in de Derde Wereld, en de andere, meestal etnische conflicten, die inmiddels miljoenen mensen het leven hebben gekost.

Het gaat nu echt plankgas, want daarnaast worden nog de val van de Muur, de opkomst van de politieke Islam, de Thatcher-revolutie en de schijnbaar onstuitbare opmars van China behandeld.

Het zijn thema’s waar Ferguson rakelings langs scheert en die ieder op zijn minst een eigen hoofdstuk hadden verdiend. Dat geldt ook voor het thema van de ondertitel: de ondergang van het Westen. Dat is een boek op zich en wordt in ’De Grote Oorlogen’ wel aangeroerd, maar niet uitgediept.

mailIcon print |