recensie Teylers Museum wekt de physique amusante, de wetenschap ter lering en vermaak, tot leven.
Op de kop af 200 jaar geleden bezocht Lodewijk Napoleon, koning van Holland, Teylers museum in Haarlem. Het verhaal gaat dat de broer van de Franse keizer wel eens met eigen ogen de kracht van de beroemde elektriseermachine wilde aanschouwen. Nadat Martinus van Marum, de directeur van het museum en ontwerper van de machine – de grootste ter wereld – enkele demonstraties had gegeven, wilde de koning het effect van de statische elektriciteit op een van zijn soldaten uitproberen. Van Marum kon hem met moeite van dit idee afbrengen en stelde als alternatief voor een koe te gebruiken. Het dier werd bezorgd, kreeg de volle laag en was op slag dood.
Historici betwijfelen of het een waar gebeurd verhaal is, schrijft Bruno van Wayenburg in ’Vonken & schokken’, maar het illustreert volgens hem wel dat de elektriseermachine destijds wijd en zijd bekend was. Niet alleen onder geleerden, maar ook onder wetenschapsminnende burgers.
Het was de tijd van de physique amusante, wetenschap ter lering en vermaak. Wetenschappers trokken veel publiek met hun demonstraties; vooral proefjes met vacuümpompen of elektriciteit waren populair. Vaste prik was de ’elektrische kus’: een jongedame werd elektrisch geladen en de heren werden uitgedaagd haar te kussen. De Don Juan die zich meldde, moest zijn moed met een stevige optater bekopen.
Die tijden herleven in Teylers museum als vandaag de tentoonstelling ’Proefjes! Magische natuurkunde van toen’ wordt geopend. Tegelijk wordt ook het eerste exemplaar van het boek van Van Wayenburg uitgereikt.
Het oudste museum van Nederland is de geëigende plaats voor zo’n expositie. Niet alleen omdat de samenstellers er de deur niet voor uit hoefden: het statige pand aan het Spaarne is tot de nok toe gevuld met de demonstratiemodellen van toen, zoals donderhuisjes, toverlantaarns, luchtpompen en natuurlijk elektriseermachines. Maar ook omdat Pieter Teyler van der Hulst in zijn testament had vastgelegd dat zijn vermogen zou worden aangewend ter bevordering van de wetenschap in zeer brede zin. Het moest een oase worden voor geleerden en hooggeplaatste burgers.
De vermakelijke natuurkunde kwam rond 1730 in Nederland op. De nieuwsgierigheid van het publiek was geprikkeld door de ontwikkeling van nieuwe instrumenten, zoals de telescoop of de luchtpomp, en door de ontdekkingen die ermee werden gedaan. Bovendien drong tegen die tijd het gedachtegoed van Isaac Newton door in de Lage Landen. In tegenstelling tot zijn vakgenoten die de wetenschap als een overwinning van de rede beschouwden, zag Newton in zijn natuurwetten de hand van God.
Het was vooral de doopsgezinde kring – waartoe ook Pieter Teyler behoorde – die zich tot de nieuwe wetenschap wendde om nader tot God te komen. Zo gaf de Duitse instrumentmaker Gabriel Fahrenheit vanaf 1718 een reeks voordrachten voor een groep doopsgezinde Amsterdammers.
Later breidde de belangstelling zich uit naar bredere kring, met name door de theatrale voorstellingen van de Engelsman John Desaguliers. Rond 1730 gaf hij in een groot aantal Nederlandse steden lezingen en demonstraties met veel showelementen waarbij hij geroemd werd om zijn ’buitengemeene klaarheid en weergaloze bekwaamheid in het voorstellen en nemen zijner proeven’.
De Nederlander viel voor de speelse natuurkunde maar verloochende zijn aard niet. Het moest ook nuttig zijn. In de negentiende eeuw had elke stad en ieder dorp zijn eigen gezelschap waarin de burgerij werd onderwezen in de natuurkunde. Dat zorgde voor een grote acceptatie en verspreiding van de natuurwetenschappelijke kennis.
Ook Van Marum, de eerste directeur van Teylers, hield meer van de lering dan van het vermaak. Hij had zijn machine gebouwd om het wezen van de statische elektriciteit te doorgronden, én om er bijvoorbeeld goede bliksemafleiders mee te ontwikkelen. Het publiek werd van het belang daarvan overtuigd met de zogeheten donderhuisjes. Hadden ze een goede bliksemafleider, dan gebeurde er niets bij een elektrische ontlading. Maar anders spatten ze uiteen: een beetje geholpen door wat buskruit binnenin.
Eind negentiende eeuw verdween de amusante natuurkunde van het toneel. Het vak werd te onbegrijpelijk voor de leek en het publiek kreeg andere interesses. Allen als speelgoed leefde het nog even voort. En in de gedachten van ieder kind dat zich van een bezoek aan Teylers vooral die elektrische optater herinnert.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.